Bloed

De oude man had de jongen leren kennen op een bijeenkomst van liefhebbers van oud legermateri­aal. De jongen was dol op jeeps en andere militaire voertuigen en de oude man hield vooral van uni­formen. Ze hadden een praatje gemaakt en waren daarna ieder huns weegs gegaan, maar naderhand moest de oude man nog dikwijls aan de jongen denken. De oude man kende iemand uit het bestuur van de vereniging die de bijeenkomst op touw ge­zet had en wist via die persoon naam en adres van de jongen te achterhalen. Sindsdien zagen de oude man en de jongen elkaar regelmatig.
De oude man woonde in een mooi groot huis dat hij zelf ontworpen had. Toen de jongen voor het eerst bij hem op bezoek kwam, keek hij zijn ogen uit. Zelf woonde de jongen samen met zijn oude vader in een rijtjeshuis in een stadje onder de rook van Rotterdam. De jongen sprak met onvervalste Rotterdamse tongval. De echtgenote van de oude man was aanvankelijk niet van de jongen gediend en begreep niet waarom haar man zich met zo’n volks type afgaf. Maar nadat ze de jongen voor de derde of vierde keer over de vloer had gehad, had ze haar mening bijgesteld: de jongen mocht dan plat praten en niet bijster ontwikkeld zijn, hij had een goed hart en was de onschuld zelve.
De jongen werkte in een magazijn. Dikwijls mocht hij met een caddy vrachtjes ophalen of bestellin­gen rondbrengen. De jongen hoefde maar een keer ergens naartoe te rijden om voor altijd de weg te weten en hij was een zeer bekwaam chauffeur. De oude man liet niet na hem om zijn rijkunst te roemen als hij met iemand over de jongen sprak. En als hij met de jongen in den lande een uitstapje maakte, wat hij met graagte en enige regelmaat deed, was het de jongen die achter het stuur van zijn Jaguar mocht plaatsnemen.
De jongen was een jongen van in de dertig, die maar geen man leek te worden. Hij was vrolijk en opgewekt en ondanks dat hij op school geen groot succes was geweest, was hij erg handig en wist hij voor praktische problemen dikwijls snel een oplossing. Hij was mager, had dun stroblond haar. Ofschoon alles aan hem jongensachtig was, vertoonde zijn gezicht al enkele rimpels en had het iets tanigs, wat hem, in de ogen van de meeste mensen althans, bepaald onaantrekkelijk maakte.
De oude man vond de jongen niet onaantrekke­lijk; hij vond de jongen puur. Hij hield van zijn ongecompliceerde karakter, van zijn recht voor zijn raap zeggen waar het op staat, - ofschoon, de jongen zei zelden confronterende dingen, daar was hij te goedig en te zachtmoedig voor. Naar­mate de oude man de jongen beter leerde ken­nen, viel hem op dat de jongen slecht met geld kon omgaan en dat hij in zijn onschuld en goed­moedigheid een makkelijk slachtoffer vormde voor kwaadwillende mensen. De oude man kwam soms bij de jongen thuis en sprak daarover bij gelegenheid met de bejaarde vader van de jongen, die zijn zorgen deelde. De vader kookte eten en zorgde voor het huishouden; hoe moest dat straks als hij er niet meer was? Gelukkig had de jon­gen nog een zuster, een kordate vrouw van begin veertig die van aanpakken wist en die met haar echtgenoot een paar straten verderop woonde. Zij deed de was voor vader en zoon en lapte de ramen op gezette tijden en het was mede dankzij haar steun dat het huishouden draaiende werd gehou­den. Haar aanwezigheid was een geruststellende gedachte, al zou de jongen natuurlijk wel voor zichzelf moeten leren zorgen.
De oude man die vertrouwd was met heimelijkheid en het ophouden van de schijn, was wat de jongen aanging allesbehalve heimelijk. Met de heren van de sociëteit die hij frequenteerde, sprak hij open­lijk en met veel begeestering over zijn bijzondere vriendschap met de jongen en hij nam de jongen zelfs een keer mee als introducé. Er waren heren op de Probus die zo hun bedenkingen hadden, al lieten ze dat de oude man niet blijken; anderen bekeken de jongen als een soort van exotische verrassing, welhaast als een studieobject; een en­keling bewonderde hem oprecht om zijn eenvoud en onschuld.
De oude man had familie in Engeland wonen; een nicht van moederszijde was getrouwd met een Engelsman en bewoonde samen met haar echt­genoot – de kinderen waren al uitgevlogen – een bescheiden landhuis in het graafschap Kent. De oude man had er al vaker aan gedacht een mooie culturele reis met de jongen te maken en nu zijn nicht hem gevraagd had een paar daagjes te ko­men logeren, had hij de jongen voorgesteld om op zijn werk een week verlof te vragen en met hem mee te gaan; zijn vader, die gedurende zijn leven op een uitstapje naar België na nog nooit buiten de landsgrenzen was geweest, mocht wat de oude man betrof ook mee: de auto was groot genoeg.
De bedoeling was om via Dover naar West Bra­bourne te rijden, waar de nicht haar landhuis had en om van daaruit de omgeving met de auto te verkennen en kastelen te bezoeken. Na vijf nach­ten logeren zouden ze vervolgens naar Canterbury rijden en daar met z’n drieën nog een nacht door­brengen in een hotel zodat ze voldoende gelegen­heid zouden hebben om de oude stad te bezich­tigen.
De ontvangst bij de nicht in West Brabourne was allerhartelijkst. Neef en nicht waren dolblij elkaar na zoveel tijd weer in levende lijve te mogen aan­schouwen en in de armen te kunnen sluiten. Ook de echtgenoot van de nicht was zeer opgetogen vanwege het weerzien en heette iedereen van har-te welkom.
Omdat de vader van de jongen slecht trappen lo­pen kon, kreeg hij de slaapkamer op de begane grond. De oude man en de jongen kregen samen de beschikking over een grote logeerkamer op de eerste verdieping. Het was een mooi en ruim ver­trek met belendende badkamer en uitzicht op de cottage garden. In het vertrek stonden twee bed­den: een eenpersoons- en een tweepersoonsbed.
Meteen de eerste nacht had de oude man de jon­gen voorgesteld om samen in het grote bed te sla­pen, iets waar de jongen niet zo goed raad mee wist. De jongen gniffelde wat en gaf beduusd te kennen dat hij toch liever alleen in een bed sliep. De oude man had daarop ook gegniffeld, mis­schien om aldus al dan niet onbewust een sfeer te creëren van twee deugnieten onder elkaar. Hij had de jongen doerak genoemd en gezegd dat hij dan maar eventjes voor het slapen gaan bij hem op het grote matras moest komen voor een knuffel. Dat deed de jongen, zij het schoorvoetend. De oude man drukte de jongen even ferm tegen zich aan en aaide hem toen over zijn bol, waarna hij hem los liet en over de dag van morgen begon te pra­ten en opsomde waar ze allemaal naartoe zouden gaan. Hij zei dat hij het heel .jn vond zo met hem en zijn vader op stap te zijn en dat hij het ook heel .jn vond om zo naast hem te liggen en nog wat te praten. Hij werd vertrouwelijker en vertelde de jongen dat hij dat miste omdat zijn vrouw en hij al heel lang niet meer samen sliepen. ‘Ieder mens heeft behoefte aan een beetje warmte,’ zei hij, en hij drukte de jongen even tegen zich aan. Toen zei hij: ‘Vooruit, naar je eigen mandje dan. Morgen is het weer vroeg dag.’
De jongen was in verwarring. Nadat zijn moeder overleden was – en die overleed toen hij nog heel jong was, nauwelijks een puber - was hij niet vaak meer geknuffeld. Een handdruk of een klap op de schouder, een zoen op zijn wang als hij jarig was, andere aanrakingen was hij nauwelijks gewend. De oude man omhelsde hem soms als ze elkaar za­gen en in het begin toen ze elkaar nog niet zolang kenden en de oude man zelf nog achter het stuur van zijn Jaguar zat, legde hij soms even zijn rech­terhand op het dijbeen van de jongen en kneep erin, zachtjes, als om hem gerust te stellen. De jongen wist nooit goed wat daarvan te zeggen en zei er tenslotte maar niets van.
Ook de daaropvolgende avonden kroop de jongen voor het slapen gaan even bij de oude man in bed. De jongen verstijfde niet meer wanneer de oude man hem aanraakte, en aanvaardde zijn knuffels als een onschuldig ritueel. De jongen leek zich zelfs wat te verheugen op de speelse aanrakingen, waarmee hij de oude man onbedoeld aanvuurde tot handtastelijkheden die steeds een stapje verder gingen.
Tijdens de vijfde en laatste nacht in het landhuis in West Brabourne liep het uit de hand. Net als de keren ervoor had de oude man tijdens het knuf­felen een erectie gekregen en omdat hij meende te voelen dat er ook bij de jongen van verharding sprake was, had hij de jongen voorzichtig gekust en gezegd dat hij hem mooi vond en lief en dat hij hem graag zou zien zonder pyjama aan, ‘in je nakie.’ De oude man nam het voortouw en trok zijn pyjama uit en zijn onderbroek. Toen hij de jongen naar zijn opgerichte lid zag kijken, zei hij: ‘Dat komt door jou, omdat ik je zo mooi vind.’ De jongen ervoer geen directe afschuw, maar hij had wel het gevoel dat er iets onbetamelijks gebeurde toen de oude man voorzichtig de knoopjes van zijn pyjamajasje opende. Toen ze allebei naakt waren, was de oude man bovenop de jongen gaan liggen en had hem in zijn nek gezoend. Hij had de benen van de jongen uit elkaar gedaan en zo, met behulp van wat spuug, geprobeerd bij hem binnen te dringen – wat erg moeizaam ging. De jongen was gaan bloeden en had nog zwak geprotesteerd, maar de oude man, niet meer in staat tot zelfbe­heersing, was tot het einde toe doorgegaan. De volgende ochtend, de ochtend van het vertrek naar Canterbury, was de jongen erg stil aan het ontbijt. Hij at niets, ook niet nadat zijn vader hem daartoe had aangespoord. De jongen keek strak naar zijn bord en meed alle blikken.
De oude vader voelde dat er iets niet in de haak was en werd ongerust; de oude man maande hem tot kalmte. Het gastvrije echtpaar deed er het zwijgen toe en zwaaide de visite plichtmatig uit toen ze een goed uur later met de jongen achter het stuur vertrokken richting Canterbury. De jongen reed harder dan normaal en onzorg­vuldiger, bijna roekeloos. Tot tweemaal toe vergat hij dat hij links moest houden. De oude man, die naast hem zat, zei dat hij moest opletten en vaart minderen. Toen ze een rotonde genaderd waren, moest de oude man ingrijpen om te voorkomen dat ze de rotonde rechtsom zouden nemen. De oude vader op de achterbank raakte in paniek om­dat het in volle omvang tot hem doordrong dat er iets heel erg mis was met zijn zoon. De aanwijzing van de oude man om op de eerstvolgende kruising linksaf te slaan, werd door de jongen genegeerd. De jongen bleef met grote snelheid rechtdoor gaan. De oude man zei dat het zo niet langer kon en dat hij stoppen moest omdat er anders onge­lukken zouden gebeuren. Ook de vader smeekte de jongen om te stoppen. Hij noemde de jongen bij zijn naam en zei: ‘Stop nou toch, stop nou toch..!’ De jongen minderde vaart en reed de berm in. Toen de auto stilstond, boog de jongen zijn gezicht over het stuur en barstte in snikken uit.