Vice Versa (Monoloog in twee stemmen)

Renaat Ramon

Want de mens voert, heel alleen, in zijn binnenste een tweegesprek,
dat op de juiste wijze geregeld dient te worden.
Blaise Pascal, Gedachten

Een moderne moraliteit in de vorm van een wagenspel. Gedurende de ganse voorstelling tracht een zwijgende en geblinddoekte Vrouwe Justitia (V.) een balans met gewichten in evenwicht te brengen. Achter een schrijftafel waarop een fles whisky, bier en glazen, zit een griffier (G.) te noteren. De twee identiek geklede protagonisten - in feite één personage dat zich tijdens een zelf-bevraging afsplitst in een beklaagde (B.) en een rechter (R.) - nemen plaats links en rechts van het toneel. Zij praten zittend of lopend. Telkens als de griffier 'tableau' roept, staan de acteurs/actrices even onbeweeglijk, als een 'tableau vivant'.

(B. schenkt zich in en drinkt)

R. - Je koketteert met je dorst.

B. - Zoals een rechter koketteert met de dood.

R. - Niet alle rechters zijn beulen ...

B. - … en niet alle beulen zijn rechter. De plaats bepaalt de functie.

R. - Goed, ter zake. Griffier.

G. - Voor ons verschijnt de genaamde Barend Revis, geboren te Rumbeke op 18 februari 1951, als zoon van Floris en …

R. - Nee, nee, resumeer. We hebben niet alle tijd. En deze scène verdraagt geen ambtelijke taal.

G. - Verdacht van openbare dronkenschap. Verwaarlozing van de plichten van staat. Morele wreedheid. Poging tot doodslag. Beschuldigde ontkent de mens.

R. - Motief?

G. - Zelfhaat.

B. - Protest!

R. - Hoe zo, protest?

B. - Protest, edelachtbare!

R. - Protest? Ben je advocaat?

B. - Nee - je pleit pro domo; je valt samen met je rol.

R. - Maar niet met jezelf.

B. - De doodslag is niet bewezen.

R. - Maar de 'poging tot' wel.

B. - Je hoeft de voorbedachtheid niet te weerhouden.

R. - Hoewel het idee niet nieuw was.

B. - Je hebt het overleefd ... Een dronkemansruzie… Onwillige en verijdelde manslag…

R. - Je bent je eigen milde rechter...

B. - …. en je pleit de goede trouw.

R. - Het valt nog mee datje niet ontoerekeningsvatbaarheid pleit.

B. - En als straf een ontwenningskuur.

R. - Maar vertel es. Hoe is het begonnen? En wanneer?

B. - Ja, daar gaan we weer: een liefdeloze jeugd, verwaarlozing, slechte vrienden. Straffeloze zonden. En erfelijk belast. Dat heb ik te laat beseft. In sommige families drinkt men van vader op zoon. De père en fils depuis 1872. Van moeder op dochter komt ook voor. Men wordt in dronkenschap verwekt en men sterft bezopen. De verveling van het dagelijks leven en de onontkoombare tradities van het dorp. Als je vijftien jaar werd, goten de wederdopers bier over je kop. Un rite de passage. Daarna mocht je drinken. Je moest. (Opent een flesje bier en giet het over zijn hoofd.)

R. - Nee, nee - dat is te plebejisch. Het is begonnen als een burgerlijk drama. En als een ritueel: het nadenkend mengen whisky, soda, ijs, in de juiste, precieze verhoudingen.

B. - Het werk van de onervaren amateur. De kenners lachen: zonde van de drank. Je laat het water weg, maar je behoudt het ijs ter wille van de klank. De plotse plof van een doffe do en de klare klik van de helderste letter uit het alfabet.

G. - Poëzie! Dante! Vloeibaar vuur! Tableau!

R. - Whisky en cognac. Je leefde in een walm van sterke drank. De adem: whisky. De lucht: cognac. Je leven: whisky en cognac.

B. - Je krijgt een bijnaam. In de cafés heet je whisky; op je werk cognac. En na middernacht spreekt men je aan, met de subtiele dubbelzinnigheid die de onsterfelijke drinker eigen is, als 'de dubbele'.

G. - Proost! (R. & B. doen alsof ze het glas heffen en drinken).

R. - Je laatje voorstaan op die reputatie. Maar buiten de kroeg is de minste toespeling de oorzaak van drift, woede, razernij. Eerst verbaal geweld. Dan vallen er klappen - je zoekt een mes…..

B. - Ja 'de wijn is een goedaardig duiveltje' - maar 'een dubbele' is een demon.

R. - Niet afleiden. Bekennen in eerste aanleg is beter. Je vermijdt een uitvoerig requisitoir vol nalatigheden. En een lang voorarrest.

B. - Je zitje hele leven lang in voorarrest.

R. - Je denkt: 'jouw soort hoeft niet te overleven'.

B. - Nee - want je leeft in een wereld zonder noodzaak, zonder samenhang ...

R. -... en zonder waarheid.

B. - Je bent altijd in het voorgeborchte van de hemel of in het centrum van de hel.

R. - Je leeft met de angst en tevergeefs wil je met sterke verhalen de grote gaten in je geheugen dichten.

B. - Je hoeft je niets te herinneren. Het is voldoende te hebben geleefd.

R. - Maar je ontbreekt de moed…

B. - … of de mogelijkheid...

R. - ….. om te leven op eigen kracht. Je bent een misverstand.

B. - Je vergeet acteur te zijn,

R. - je wilt vluchten achter de coulissen…..

B. - … en je merkt dat er geen meer zijn.

R. - Wat ontbreekt je dan om een mens te zijn?

B. - Het derde oog, het zesde zintuig.

R. - Een ziel. Vleugels. Vleugels en vuur.

B. - Toch zijn er ook redelijke wezens, zoals de wagenmenner, de duivel, de griffier en (B en R wijzen op zichzelf). (R. doet teken aan de griffier: niet noteren).

R. - Je bent ijdel als Lazarus.

B. - En hoogmoedig als Salomon.

R. - Je viert triomfen, maar meteen roep je je eigen ellende over je af. B. - Het is geen leven: 's avonds denk je: haal ik de morgen R. - en 's morgens denk je: haal ik de nacht?

R. - Je hebt de wil van een karrenpaard dat stopt bij de klanten. Jij stopt bij de leveranciers.

B. - Je bent de lieveling van de kasteleinse R. - en de lakei van de kastelein.

B. - Heel even ben je een scherp gesteld waarnemer: focus in. De platte levens die je pad dwarsen spoel je door.

R. - En daarna wordt de hele wereld een caleidoscoop. Focus out.

B. - Je drinkt van 't vat en tegen de middag heeft je lijfde spanning van een ton.

R. - En in het ergste geval slaap je in een goot…..

B. - … als in het hooi. En 's anderendaags ben je zelfs te stom om bier te drinken.

R. - En je hoofd -je hoofd dat langzaam de vorm aanneemt van een rode dik-buikige fles. (B. zet zo 'n masker op).

G. - Tableau!

B. - Je leeft als een hermafrodiet en beweegt als een groteske schaduw.

R. - Als in een bizarre droom.

B. - Een drinker heeft geen dromen.

R. - De nachtmerries niet te na gesproken, de zwarte verhalen van onschuld en boete, van misdaad en lafenis…..

B. - Ja ja, zo is het: als je droomt ben je in last: beklaagd, beschuldigd, gearresteerd…

R. -… en gevangen in een vat…..

B. - … wacht je het laatste oordeel af...

R. -… in streepjespak.

B. - En je vervloekt de stokers die je de vuurproef laten ondergaan.

R. - Toch herinner je je deze droom: je zwemt in het bassin van een mondain hotel, in het bad dat men het 'lac cognac' noemt, maar gevuld is met venijnige en gechauffeerde Hollandse vieux. Je hebt dorst, maar drinken betekent verzuipen. Je worstelt om boven te blijven. Rondom het zwembad staan tafeltjes, aan elk tafeltje twee stoelen, een links, een rechts. Op elke rechte stoel zit een vriend. Op elk tafelblad malt: Glenfish, en pro forma, voor het oog: een kristallen beker met ijs. Maar de rand is niet te bereiken en de klotsende en flonkerende ijsblokjes klinken als de klok van Arnemuiden.

B. - Als je van whisky houdt, zal je nooit meer van iemand anders houden. R. - Cognac, mon vieux, Courvoisier…

B. - Ja, als aperitief of als dessert… (De twee komen samen, drinken en zingen:) En al mijn geld is op in jenever en in Bock, in jenever en in Bock…..

G. - Tableau!

R. - En dan volgt het grote zwijgen. Het duurt dagen, weken, soms maanden. Als een verblijf in een vreemd land. In kelder, of in een cel. De wanden komen stapsgewijs nader…..

B. - De dagen rijen zich als dummy's in een rek. De morgen heeft geen woorden meer. En ook de middag zwijgt, de middag die eerder sprak met een gepelde tong.

R. - En de nacht! Hoe zal de nacht de raad brengen die de dag niet heeft gebracht?

B. - Het is een stilte die geen verwachting wekt - als van een stomme die probeert te spreken met de mond vol zand.

R. - Een zwart zwijgen dat niets verbergt en niets te zeggen heeft. B. - Vraag en antwoord vallen samen in het niets.

R. - Zwijgen is ook een vorm van grootspraak. En van hoogmoed.

B. - Waarlijk, niets goddelijks is je vreemd: je hebt alle misdaden begaan die je berecht.

R. - Je vreet, vecht, neukt en vlucht.

B. - En je jaagt op blaffende konijnen als een gesjochten hond.

R. - Fraai. Je hebt, kort voor de aanslag, je collectie glazen met huisraad bekogeld.

B. - Scherven brengen geluk.

R. - Ja, maar alleen in een spiegelkamer.

B. - Omdat je dan niet meer de groteske vervorming van je face hoeft te zien. (B zet het masker op de kop van R) Voilà. Un couvre-chef. Changement de décor.

R. - En je kan je wentelen in de scherven als een martelaar.

B. - Of als een fakir.

R. - Zo word je een man zonder spiegelbeeld.

B. - Met alleen nog een dubbelganger.

R. - Dubbelganger is een vreemd begrip voor iemand die het bestaan van de mens zelf ontkent.

B. - Wees duidelijk. Wie ontkent? Welke mens?

R. - Wie stelt hier de vragen? Ben jij misschien onderzoeksrechter?

B. - Jij?

R. - Je doet watje is toebedeeld.

B. - Goed. Dan is het billijk datje ook de antwoorden geeft.

R. - Dan moeten we van plaats wisselen.

B. - Goed. (Ze wisselen van plaats). Jij stelt de vragen, jij antwoordt.

R. - Nee - jij antwoordt - geen monoloog.

B. - Toch had je het gemakkelijker kunnen maken: een monoloog gevuld met vragen. (maakt een groot vraagteken in de lucht).

R. - Goed. Een retorische vraag. Als er geen paarden zouden zijn - wat is daarvan de consequentie?

B. - Geen koetsier meer, geen palfreniers, geen stalknechten… R. - Goed. En als er geen stieren meer zouden zijn? B. - Geen picadors meer, geen torero's, geen Carmen…

G. - Muziek! (Laat een fragment uit 'Carmen'horen - of zingt, staande, zelfde rechter laat het met een teken stopzetten).

B. - En als er geen mensen zouden zijn? R. - Dan zouden er ook geen goden zijn.

B. - En vice versa. Rechter, ik ontken jouw bestaan! Beul, doe die man de das om! (Vrouwe Justitia doet haar blinddoek als een 'das'om de hals van de rechter). Span de paarden voor de wagen! E finita la commedia! Op naar het galgenveld!

G. - Tableau!