Van een onverbeterlijke, chaotische vrolijkheid.
Enkele aantekeningen bij het tienjarig overlijden van Roland Monteyne (1932-1993)
Patrick Auwelaert
'On ne me verra pas, à mon heure
dernière, entouré de prêtres.
Je veux mourir bercé par la vague de la mer tempétueuse,
ou debout sur la montagne… lesyeux en haut, non: je sais que mon
anéantissementsera complet… L'aigle, le corbeau, l'immortel
pélican, le canard sauvage, la grue voyageuse, éveillés, grelottant
defroid, me verront passer à la lueur des éclairs, spectre horrible et content.
De Lautreamont, Les Chants de Maldoror
Vijf dagen nadat ik beeldhouwer/graficus Roland Monteyne leerde kennen, was hij dood. Gestorven aan een hartaanval. Nadine, zijn levensgezellin, kwam thuis van boodschappen doen en trof hem levenloos in de woonkamer aan. Het was zijn nichtje Anouck die me 's anderendaags telefonisch van het tragische nieuws op de hoogte bracht. Anouck Rhayé, dochter van wijlen keramist/kunstschilder/graficus Yves Rhayé, had me al vaak over haar 'nonkel beeldhouwer' verteld, maar tot de dag van zondag 12 september 1993 had ik nooit geweten dat die nonkel niemand minder dan Roland Monteyne was, die als kunstenaar internationale bekendheid genoot en wiens werk me zeven jaar voordien voor het eerst knock-out had geslagen.
Zondag 12 september 1993, een zondag als alle andere, met dit verschil: de zomer loopt op zijn laatste benen doodvermoeid in de open armen van de herfst. Ik bevind mij in mijn appartement in Opwijk en houd mij onledig met het herlezen van De kracht van verlamming van Eva Gerlach. Dat weet ik nog precies, omdat ik er de bewuste dag in mijn dagboek van toen op heb nageslagen. Dan gaat de telefoon. Het is Anouck. Ze belt van bij haar nonkel beeldhouwer, zegt ze, waar ze al een paar dagen verblijft. Ze wil vanavond nog terug naar haar appartement in Schaarbeek en vraagt me of ik zo vriendelijk zou willen zijn haar op te halen en weg te brengen. Dat wil ik graag voor haar doen, want ze heeft zelf geen wagen. Het adres is Sashuis, Sasbaan 13, Herdersem.
Herdersem is niet ver van Opwijk. Nog geen halfuur later bevind ik mij dan ook in de Sasbaan. Evenwijdig ermee loopt een rechtgetrokken arm van de Dender, die tot de rand met zwart water is gevuld. Helemaal achterin de straat speelt het witte Sashuis verstoppertje met de talloze schakeringen van groen die het omringen. De woning lijkt op het eerste gezicht leeg te staan van de nazomerse stilte die er heerst, maar dat is slechts schijn. De bel snijdt de idylle van de middag ruw in twee.
Achteraf houd je het niet voor mogelijk dat ik steeds had verzuimd naar zijn naam te vragen. Ik, die al jaren een zelfverklaard zwak voor beeldhouwkunst en voor beeldhouwers had. Die in 1986 de Poëzieprijs van de Vlaamse Club Brussel had gewonnen met een gedicht getiteld De beeldhouwer. Die dat gedicht in hetzelfde jaar had gepubliceerd in De Vlaamse Gids, waarin het stond afgedrukt naast een aankondiging van Roel d'Haeses vijfenzestigste verjaardag.1 (Roel d'Haese, nog zo'n beeldhouwer van formaat wiens werk toentertijd erg tot mijn verbeelding sprak. Mijn geluk kon niet op: ik had het zo in brons willen gieten.)
Ik kwam voor het eerst in aanraking met Monteynes werk in de zomer van 1986 tijdens de Internationale Sculpturale van Dendermonde, een initiatief van de lokale kunstgalerie De Graal. Monteynes werk was te zien in de stedelijke kunstacademie en bracht me bij de eerste aanblik danig in de war. Ik wist niet goed wat ik ermee moest aanvangen, kon het niet duiden, had nog nooit eerder iets gelijkaardigs bij een andere beeldhouwer gezien, maar zag al spoedig in dat het, zowel letterlijk als figuurlijk, ijzersterk werk was. Op een niet te verklaren manier greep het me bij mijn ballen en hield het me een andere waarheid voor dan degene die ik tot dan toe altijd voor de enige ware had gehouden. Het bekijken van zijn werk had een vergelijkbare uitwerking op me als het lezen van Menuet van Louis Paul Boon een paar jaar voordien: ik was niet meer dezelfde erna. Iets had sindsdien mijn mens- en wereldbeeld onherstelbaar aangetast, gewijzigd. En dan de titels: Jonge en beminnelijke moeder sublimeert in haar lichaam de stigmaten van haar zoon (1983) -Luisterend naar een jonge virginaliste, even wulps als virtuoos (1980) - De geboorte van een groot wetsgeleerde. Zijn opvoeding is reeds ingezet (1978). Titels die zeer tot mijn door het surrealisme besmette verbeelding spraken. Pas later, toen hij al dood was, kwam ik erachter dat Monteyne diepgaand door het surrealisme was beïnvloed en er ook de principes van onderschreef. Subversief tot in de kist.
Het gezicht van de man die openmaakte, leek bijna geheel uit bakkebaarden opgetrokken. Ertussen priemden een paar ogen die me onderzoekend aankeken. De grijze haren droeg hij lang en verwilderd. Met een beetje fantasie had hij zo voor een aan lager wal geraakte aristocraat uit het Victoriaanse Engeland kunnen doorgaan. Maar het was Monteyne, al wist ik dat toen nog niet. Achter zijn rug, in de ruime trappenhal, doemde een monumentaal beeldhouwwerk op, waaraan mijn ogen zich ogenblikkelijk vastzogen. De schok der herkenning voer als een elektrische lading door mijn lichaam. Ik had dit werk, waarvan ik later ontdekte dat het Schuine guillotine voor incestueuze tweeling (1987) als titel droeg, nog niet eerder gezien, maar herkende het niettemin meteen, dit is: ik voelde in elke vezel van mijn lichaam dat het gemaakt was door een beeldhouwer wiens werk me ooit een geestelijke uppercut had bezorgd.
In de woonkamer, waar het haardvuur zich alvast op killer wordende avonden voorbereidde, verwelkomde Anouck me. Ik omhelsde haar en zij stelde me aan hem voor: 'Patrick, voilà mon oncle Roland, le sculpteur.' (Haar moeder was Franstalig, haar vader een West-Vlaming uit Koekelare, zodat zij een tweetalige opvoeding had genoten, maar liefst en best sprak zij haar moeders taal.) De beeldhouwer keek me andermaal doordringend, maar niet onvriendelijk aan en nodigde me uit te gaan zitten. Daarop kwam zijn levensgezellin Nadine de kamer binnen met op haar arm Justine, hun tweejarig dochtertje. Omdat ik, vooral in het gezelschap van mensen die ik niet ken, eerder gereserveerd van aard ben, verliep de kennismaking aanvankelijk nogal stroef. Hij bood gloeiendhete koffie in een mok aan, die ik voortdurend aan mijn mond hield, een manier om mijn schutterigheid te verbergen. Er brandde een vraag op mijn lippen, die ik Anouck wilde stellen, zij het niet nu, waar hij zelf bij zat: Roland wie? Want op dat ogenblik had ik nog steeds niet de link gelegd met de maker van het werk dat ik zeven jaar voordien in de Dendermondse kunstacademie voor het eerst had gezien, en dat sindsdien als een collectieve herinnering, zeg maar een archetype, in mijn geheugen lag opgeslagen.
Even later kreeg ik de kans toen Anouck me voorstelde wat werk van haar nonkel in de aangrenzende vertrekken te bekijken. Ik veerde op en volgde haar. Toen ik in een kamer aan de andere kant van de trappenhal eenmaal het werk Twee droevige en clavofiele kinderen op de weg naar Golgotha. De vogels zijn opgevlogen en verdwijnen in de verte (1986) had gezien, een indrukwekkend werk in brons en hout, kon ik mij niet langer beheersen. Monteyne, zei ze ietwat verwonderd, alsof ze ervan uitging dat ik het had geweten. 'Roland Monteyne.'
Eenmaal terug in de woonkamer keek ik met heel andere ogen naar de man. Ik werd zelfzekerder. Zei hem dat ik zijn werk kende en vertelde hem waar en wanneer ik het voor het eerst had gezien, de hele kunsthistorie. Waarop het dunne vliesje ijs dat ons introductiegesprek had omgeven zienderogen smolt. Ongeveinsde wederzijdse belangstelling kwam ervoor in de plaats. Hij was geen knoeier van het twaalfde knoopsgat, zoals ik had gevreesd toen Anouck me voor het eerst over hem vertelde, en ik was niet zomaar een vriendje van zijn nichtje, dat van kunst geen kaas had gegeten.
Tegen een van de kamermuren stond een indrukwekkende hifi-installatie van Bang & Olufsen. Het futuristische design stond in schril contrast met de rustieke, grotendeels uit eiken balken opgetrokken woonkamer van de achttiende eeuwse woning. Uit de luidsprekers klonk etnische muziek op. Omdat ik zelf een groot muziekliefhebber was, vroeg ik hem naar de oorsprong ervan. Ze bleek van pygmeeën afkomstig te zijn. Luisterde hij veel naar, zei hij me, naar volksmuziek uit alle uithoeken van de wereld. Ik vertelde hem over mijn fascinatie voor de muziek van Jimi Hendrix, waar ik toen intens naar luisterde. Daarmee leek ik een gevoelige snaar te hebben geraakt. Jimi Hendrix, daar was hij ook gek van, zei hij. Waarop zich een discussie ontspon over het jaar waarin Hendrix was gestorven. In 1970, zei ik. In 1971, zei hij. Ik hield voet bij stuk. Hij ook. Het eindigde ermee dat hij naar zijn bibliotheek trok en met een boekdeel encyclopedie onder de arm terugkwam. Enig bladeren hierin leerde hem dat ik gelijk had. Hij had nochtans beter moeten weten, want in 1970 had hij het beeld Elegy for Jimi gemaakt. Gelukkig nam hij het grootmoedig op. Daarop vertelde hij me dat hij zich herinnerde dat het kunstschilder/graficus Luc Hoenraet was geweest die hem destijds in een Brusselse kroeg van Hendrix' dood op de hoogte had gebracht. Waarop hij prompt 's mans meesterwerk uit 1968 Electric Ladyland tevoorschijn haalde en een van de twee schijfjes in de cd-speler stopte. Het afspelen van de cd leverde echter wat moeilijkheden op. Geen geluid kwam uit de klankkasten. Dit ontlokte hem enige cynische uitspraken omtrent de niet altijd voor de hand liggende verhouding tussen prijs en kwaliteit van gebruiksvoorwerpen in het algemeen en hifi-installaties in het bijzonder. Na enig gepruts slaagde hij er dan toch eindelijk in het ding aan de praat te krijgen. De openingsklanken van wat ik ogenblikkelijk als Moon, Turn the Tides... Gently, Gently Away herkende, vulden de woonkamer. Van een onaardse schoonheid. Het was een eeuwigheid geleden, zei hij, dat hij nog naar Hendrix had geluisterd. Hij genoot er zichtbaar van, terwijl de huis-kater rond onze benen een verhaal ontspon, waarin verleiden centraal stond. Ruim anderhalve week later, op vrijdag 24 september 1993, zou diezelfde muziek ook weerklinken tijdens zijn crematie. Naar ik later vernam, had hij tussen het tijdstip van mijn vertrek en de dag van zijn dood nog ettelijke malen naar het nummer geluisterd.
De dag dat Roland Monteyne zou worden gecremeerd, kwam de lijkwagen maar niet opdagen, en toen hij dat eindelijk wel deed, was het geen vijf, maar twee voor twaalf. De crematie zou om tien uur in het crematorium van Lochristi plaatsvinden. Ik was een uur voordien al bij het Sashuis aangekomen. Anouck had me gevraagd dat te doen. Ze wilde met niemand anders dan met mij meerijden, zei ze.
Niet veel later draaide de lijkwagen eindelijk de oprit op en kon de dodenrit naar Lochristi beginnen. In zijn kielzog volgde een hele sliert wagens van familieleden, vrienden en kennissen, waaronder als laatste de mijne. De rit van Herdersem naar Lochristi, via de E40, was een groteske vertoning, helemaal in de geest van de patafysische levensstijl die Roland Monteyne er altijd op na had gehouden. Hij moet zich in zijn lijkkist vast hebben omgedraaid van het lachen. Omdat de kans bestond dat de beeldhouwer op zijn eigen crematie straks nog te laat zou komen, hield de lijkwagen er namelijk een gevaarlijk hoge snelheid op na. Daarbij zigzagde hij van het ene rijvak naar het andere, links en rechts auto's en vrachtwagens voorbijstekend. Wij, de hele sliert wagens die er als schakels van eenzelfde ketting mee verbonden waren, hadden de grootste moeite hem te volgen. Ik vooral, de laatste schakel in de rij. Ik reed met een aftandse Renault toen, die op zijn laatste benen liep. Slaagde ik er in doordeweekser omstandigheden al nauwelijks in honderdtwintig kilometer per uur uit het vehikel te halen, thans zag ik me gedwongen er een constante snelheid van om en bij de honderdvijftig uit te persen, wilde ik tenminste niet afgescheiden worden van de zonderlinge stoet waarvan ik deel uitmaakte. Nu had ik natuurlijk op eigen houtje naar Lochristi kunnen rijden, alleen bestond dan de kans dat ik er veel te laat zou aankomen, want ik was nog nooit eerder in dat bloemistendorp (gespecialiseerd in chrysanten?), laat staan in het lokale crematorium, geweest en kende er dan ook niet de weg naartoe. De aanwezigheid van Anouck Rhayé op de zetel naast de mijne maakte de situatie er bovendien niet gemakkelijker op. Hij was altijd haar god geweest, Monteyne, en niet alleen in het diepst van haar gedachten, zodat ik haar, tussen het gevaarlijke slalommen door, ook nog eens in haar verdriet moest zien trachten te troosten.
Zelden heb ik een indrukwekkender gebeurtenis meegemaakt dan Monteynes dodenwake, de avond voordien. Het lichaam van de beeldhouwer lag opgebaard in de bronsgieterij achter zijn woning. Die had hij er omstreeks 1970 zelf gebouwd. Sindsdien had hij er tientallen bronzen beelden gegoten, het ene al verbijsterender, aangrijpender, afstotelijker, voorwereldlijker en erotischer dan het andere. Nu lag hij zelf als een wassen beeld in zijn kist, Roland, en dat beeld was uniek, want voor het eerst én voor het laatst was het dat iedereen die hem had gekend het te zien kreeg. Als op een tentoonstelling die meteen na de vernissage was afgelopen.
Bij ons afscheid, later die avond van zondag 12 september 1993, deed hij me een boek cadeau: De Wakende, een lijvige, gebonden en op groot formaat uitgegeven dichtbundel van Pol le Roy, met zeven tekeningen van hemzelf.2 Het zou hem oneer aandoen als ik zei dat ik blij was met het onverwachte geschenk. Ik was er niet blij mee: ik was er verguld mee. Met de vaste hand van de graficus schreef hij er nog een opdracht in, waarna hij het signeerde. Vijf dagen later had ik het wrange gevoel dat hij daarmee zijn grafschrift had geschreven.
'Patafysica: soort wetenschap die ontstaat uit humor als practical joke, situatiekomiek en woordenspel, en die ontwrichtend werkt op de vermeende stabiele persoonlijkheid van de mens. Het gaat om een schijnwerkelijkheid, die evenwel geen aanleiding vormt tot het sombere nihilisme van Nietschze (al heeft die het zelf ook over een fröhliche Wissenschaft) of tot de duistere ervaring van een excessieve erotiek bij Bataille. De patafysische humor vertoont veeleer verwantschap met de onmogelijke raadsels van het Zenboeddhisme. Men kan daarom beter denken aan een onverbeterlijke chaotische vrolijkheid, de uit de uitzichtloosheid opborrelende en bevrijdende schaterlach.' Treffender omschrijving van het begrip patafysica heb ik nergens weten te vinden dan in deze tekst van Frans Boenders, filosoof, kunstcriticus en vriend van de overleden beeldhouwer. Veel beknopter en droger, maar voor een groter publiek wellicht verhelderender definitie trof ik aan in een niet ondertekend artikeltje in De Standaard van 30 mei 1996: 'Dat is een satirische uitvinding van de Franse absurdistische auteur Alfred Jarry3, die in een van zijn stukken op groteske wijze de menselijke imbeciliteit, verwaandheid en gemeenheid heeft neergezet.'
Roland Monteyne en de patafysica. Hij was, samen met de cineast Harry Kümel, co-rector van het Vlaams Instituut voor Hoger Patafysisch Onderzoek, dat nauwe banden onderhield met de Vrije Universiteit voor Patafysisch Onderzoek, ook een Vlaamse instelling, zij het geen openbare. Ongetwijfeld één van de meest patafysische daden die hij in zijn leven stelde, geheel en al in de geest van Alfred Jarry, de uitvinder van het begrip, was het in scène zetten van Het Laatste Avondmaal van Da Vinci, waarbij hijzelf de rol van Jezus vervulde en de vier groepjes van telkens drie apostelen aan zijn linker- en rechterzijde werden uitgebeeld door vrouwen, die voor de gelegenheid baarden droegen, maar voor het overige geen enkele moeite deden hun vaak weelderige vormen te verhullen. Onder die twaalf vrouwen Nadine, zijn levensgezellin, en Anouck, zijn nichtje. Ik kan mij levendig voorstellen dat die vertoning met een 'onverbeterlijke chaotische vrolijkheid' gepaard moet zijn gegaan.
Na zijn uitvaart werden kaartjes verspreid waarop iedereen die aanwezig was, werd bedankt. Ook stond er volgende tekst op: 'Roland Monteyne -Heeft zich verwaardigd deze wereld te verlaten de X Absolu, en la Fête de la Dilution, in het jaar... (1993).' Op de voorkant stond een foto van dat Laatste Avondmaal. Een postuum patafysisch statement dat kon tellen.
Roland Monteyne en het oosten. Terwijl het gesprek dat tussen onze monden ontstond stem gaf aan al wat ons omgaf- de schilderijen aan de muur, van vrienden, spraken wat dat betreft boekdelen kleur, licht en liefde voor het vak -, speelde Justine in onze nabijheid met vierkante kaarten waarop Chinese karakters stonden afgebeeld. Toen hij zag dat ik er gefascineerd naar keek, vertelde hij me dat hij zijn dochtertje Chinees aan het leren was, en vervolgens dat hij zelf oosterse talen en geschiedenis had gestudeerd. Ik viel van de ene verbazing in de andere, vooral toen hij me even later tussen neus en lippen door ook nog vertelde dat hij in de vijftiger jaren Belgisch kampioen motorcrossen in regelmatigheids- en uithoudingskoersen was geweest. Van een veelkantige persoonlijkheid gesproken.
Ik kan me niet meer herinneren hoelang ik die avond met hem heb doorgebracht. Anderhalf uur? Twee uur? Vier uur? Het zal wel iets tussenin zijn geweest. Tenslotte was ik gekomen om zijn nichtje op te halen, die terug naar haar appartement in Schaarbeek wilde. Aan de waaier van gespreksonderwerpen die zich voor onze ogen openvouwde, leek echter geen einde te komen. Ik kan me niet herinneren sindsdien met iemand in zo korte tijd zoveel onderwerpen te hebben aangekaart. Wat al niet ter sprake kwam: Don Cherry, de jazzmuzikant, die ik toen vooral kende als de trompettist op de eerste platen van Ornette Coleman. Of ik ook wist dat die ooit een plaat met de Poolse, klassieke componist Penderecki had gemaakt?4 Dat wist ik niet, nee. Meteen haalde hij de plaat tevoorschijn en legde ze op de draaitafel. Ook de zaak Berghmans-Jageneau, eind zestiger jaren een literaire rel van formaat, werd heropend.5 Ik weet niet meer wie daarover begon, hij of ik. In elk geval waren we een tijdje zoet met het oprakelen van die beruchte zaak van letterdieverij, die ik alleen uit de literair-historische boekjes kende, maar die hij van nabij had meegemaakt. Als bewijs diepte hij een mapje met vergeelde kranten- en tijdschriftenartikels uit zijn archief op, waarin de hele historie uit de doeken werd gedaan. Jageneaus dichtbundel Pest over Vlaanderen, met zes tekeningen van hemzelf, had ik toen nog niet in mijn bezit. Ironisch genoeg begon ik eerst alles over en van Monteyne te verzamelen toen hij al dood was. Het meeste van dat materiaal kreeg ik overigens van Anouck, de rest diepte ik veelal in antiquariaten op.
Wat ik al had gevreesd, gebeurde toch: de ketting van wagens, die in het kielzog van de lijkwagen naar Lochristi scheurden, brak. Ik, als hekkensluiter, had daar pas een idee van toen we de snelweg al hadden verlaten. Ergens aan een kruispunt op de ring rond Gent stopte de wagen waar ik sinds ons vertrek uit Herdersem achteraan had gereden en die ik al die tijd slechts met overdreven snelheid had weten te volgen. Stapte uit: een man waarvan Anouck me vertelde dat hij tot de patafysische kring rondom Monteyne had behoord. Of ík soms wist hoe we het crematorium van Lochristi konden bereiken, want dat hij zijn voorganger was kwijtgeraakt en niet wist hoe hij dat onzalig gat op de boerenbuiten kon bereiken? Ik moest hem teleurstellen. Na veel vijven en zessen en navraag bij de lokale bevolking bereikten we het crematorium tenslotte toch. In de inkomhal stond al een indrukwekkende menigte bij elkaar. Familie, vrienden en collega's, waaronder een flink deel van de Belgische kunstwereld: Roel d'Haese, Octave Landuyt, Paul van Gijsegem, Yves Rhayé, Cyr Frimout, Jef van Tuerenhout, Jef Geeraerts en vele anderen. Toespraken in het auditorium. Van vrienden, ik kan me niet meer herinneren wie allemaal. De fotograaf Roland Minnaert, ja, één van Monteynes beste vrienden, die met verstikte stem een paar woorden van afscheid sprak. Vervolgens iemand die, naar ik achteraf hoorde, helemaal niet op 'het programma' stond. Een vrouw, die zich naar het spreekgestoelte begaf en spontaan herinneringen aan Roland begon op te halen. Over de wandelingen die ze samen in een of ander bos hadden gemaakt en over de talloze gesprekken die ze daarbij hadden gevoerd. Erg roerend allemaal, maar wie was dit in de Lautréamonts6 naam? Eén van Monteynes minnaressen? De verhalen erover waren me inmiddels bekend.
Toen ik even later afscheid van hem nam, geloofde ik stellig dat we elkaar spoedig zouden weerzien. We waren tenslotte nog lang niet uitgepraat. Ik beloofde hem wat gedichten van mijn hand te zullen opsturen. Want over poëzie hadden we het tijdens ons gesprek ook gehad. Ik had hem verteld dat ik zelf poëtisch actief was en dat ik ooit een gedicht met als titel De beeldhouwer had geschreven. Hij wilde het graag lezen, evenals mijn andere gedichten. Toen ik daarop met Anouck in mijn wagen stapte, had ik het gevoel dat tussen Monteyne en mij de genese van een vriendschap was ontstaan, en daar was ik blij om. Ik verheugde me al op mijn volgende ontmoeting met hem, die wat mij betrof niet spoedig genoeg kon plaatsvinden.
Een week na zijn dood schreef ik in een opwelling een herdenkingsgedicht voor hem. Voor mijn doen stond dat gedicht, acht kwatrijnen lang, zeer snel op papier. Ik droeg het op aan Nadine, zijn levensgezellin, aan Anouck, zijn nichtje, en aan Justine, zijn dochtertje. 'Zo sloot zich onverwacht laat de avond/In toegenegen taal hermetisch/Tot een gedicht van afscheid zonder woorden./Zo simpel is de poëzie van heengaan soms.' Het slotkwatrijn. Het gedicht verscheen, na eerst jaren in mijn lade te hebben gelegen, vervolgens vruchteloos de ronde bij een aantal literaire tijdschriften te hebben gedaan, uiteindelijk in het winternummer 2001 van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Van een vriendschap de genese luidde de titel.
Ik denk nog vaak aan hem, Monteyne. Dat is niet verwonderlijk: tweemaal daags wandel ik voorbij een van zijn beelden, dat op een sokkel staat in de Lange Zoutstraat in Aalst, mijn huidige woonplaats. 63 morele voorschriften (1980) heet het werk, dat door de stad werd aangekocht 'in een bewuste keuze van het stadsbestuur hulde te brengen aan een kunstenaar die in het onbewuste van de droom zijn inspiratie vond'.7
Aan dat beeld is overigens nog een patafysische anekdote verbonden. Het stond er al een tijdje toen een arbeider in stadsdienst op een ochtend ontdekte dat het zestig kilo zware, bronzen beeld verdwenen was. Het was simpelweg wég. Consternatie alom, vooral bij het stadsbestuur. Een onderzoek werd ingesteld, maar zonder resultaat: het beeld bleef spoorloos. Was iemand zinnens er, naar analogie met de Rechtvaardige Rechters van het Lam Gods, losgeld voor te vragen? Het stadsbestuur hield alvast zijn hart vast. Tot het, enkele weken later, opeens weer op zijn oorspronkelijke plaats bleek te staan. Onbeschadigd, alle 63 morele voorschriften compleet, nog even suggestief als voorheen. Zo simpel is de poëzie van een terugkeer soms.
Poëzie, daar had hij altijd van gehouden, Monteyne, vooral die van de dichters waarmee hij bevriend was en waarmee hij eenzelfde visie op leven, liefde, dood en kosmos deelde: Erik van Ruysbeek, Pol le Roy, Roger M.J. De Neef, Dirk Christiaens, Maurice Maelderlick, Jacques Lacomblez.
want in afzondering en gebondenheid
was hij niet meer
hij werd de stilte en
haar heelalwijde zang
Pol le Roy, Herfstschemer8
Noten:
1 Het gedicht 'De beeldhouwer' verscheen, samen met een ander, 'De nacht', in De Vlaamse Gids, nummer 6 (november-december) van de zeventigste jaargang, 1986, pp. 54-55.
2 Roy, Pol le: De Wakende, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 1979, 144 pp.
3 Frans dichter, toneel- en romanschrijver (1873-1907); voorloper van het surrealisme; schreef groteske satiren op de burgerij, waarvan de bekendste Ubu roi (1896) is; oefende een grote invloed uit op het avant-gardetoneel, meer bepaald op het werk van E. Ionesco.
4 Don Cherry/Krzysztof Penderecki: Actions, recorded live at the Donaueschingen Music Festival, 1971.
5 In 1967 verscheen van Jan Berghmans bij uitgeverij Manteau een keuze uit eerder verschenen gedichten, Robijnlicht, waarin acrostichons en woordspelingen voorkwamen die moesten bewijzen dat Lambert Jageneau de gedichten schreef. Berghmans hield staande dat hij de auteur was, maar gaf toe dat Jageneau hem hielp. Nog in 1967 verscheen van Berghmans bij uitgeverij De Galge de eenakter De zaak mens, waarvan Jageneau beweerde dat hij die aan Berghmans had gedicteerd. In 1968 verscheen van Jageneau, eveneens bij uitgeverij Manteau, de gedichtenbundel Pest over Vlaanderen, die door Roland Monteyne werd geïllustreerd met zes tekeningen. Van deze bundel verscheen in 1969 een herdruk. Eveneens in 1969 liet Berghmans bij uitgeverij De Galge zijn versie van dezelfde bundel verschijnen: Pest over Vlaanderen III; elk acrostichon van de versie Jageneau was eruit weggewerkt.
6 Lautréamont (Comte de), pseudoniem van Isidore-Lucien Ducasse, Frans schrijver (1846-1870). Zijn voornaamste werk, het lyrische prozawerk Les chants de Maldoror (1869), behoorde, samen met het werk van de Sade, tot de favoriete lectuur van Monteyne. Onder meer Alfred Jarry onderging zijn invloed, terwijl de surrealisten hem als hun grote voorbeeld beschouwden.
7 Uit het voorwoord bij de catalogus naar aanleiding van de retrospectieve Roland Monteyne in het cultureel centrum De Werf te Aalst, juni-september 1995.
8 Uit De Wakende, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 1979, p. 76.