Naar het bloed

kleine jan

Een oude man in een stoffig jasje zat op een terras, ergens in de lente. Het was geen echte lente, niet zoals de andere die de wereld al had gekend. De wind deed veel beter zijn werk met de kleedjes van de meisjes deze lente. Je zag geregeld hun saaie witte onderbroekjes wanneer de wind kwajongensachtig tussen hun benen blies, en dan keken de meisjes schichtig om zich heen of iemand het had gezien. En wie het had gezien, keek vlug naar iets anders. Aan die lullige briesjes van de andere lentes beleefde je zo’n pret niet, vond de man. De stoepen waren bezaaid met oude mannetjes.

De jongelui, die hoefden niet te kijken. Zij kregen en ze namen. Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt, en dit is mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.

Het was opmerkelijk hoe weinig er door de tijden heen écht veranderd was. Geschiedenis, weet je wel; het ontstaan van de mens en zijn ‘ontwikkeling’ of hoe ze het noemden. Al de herrie die ze er eeuwen lang over hadden gemaakt, die vreemde, vreemde mensen, en het was allemaal niet nodig geweest. Het was een prettige gedachte, dacht de man, dat alles wat de mens nog niet begreep, gebleven was. En hij hoopte maar dat hij niet en niemand het ooit begrijpen zou. Als er ooit eentje de liefde wist te berekenen, dan was het afgelopen en dan werd de wereld overwoekerd door planten, misschien. Dat de planten de liefde dan ook maar niet probeerden te achterhalen, of.

En daar liep een meisje met een rok die te lang was voor deze tijd. Haar borsten waren een beetje citroenig gevormd, dat zag je zo. Ze hupten vrij op en neer in haar hemdje alsof ze lak hadden aan de traditie, de cultuur, het eeuwige tegenhouden der dingen. Er was niets in dat hemdje dat die borsten tegenhield. In het hemd van het meisje werd de vrijheid gevierd.

Och, dat was ook niet zo nieuw meer. Zovele jaren geleden werden de behaatjes ook al eens opzij gesmeten, en zelfs door halfnaakte vrouwen in de straten verbrand. Toen was er ook wat te vieren geweest en toen was het ook de vrijheid geweest. Stemrecht voor vrouwen, ja, toen wist hij het weer. En om de hoek viel er een man in de bomen. Hij was misschien een hemelbewoner geweest. Het duurde een hele dag eer de mensen hem uit zijn boom hadden gekregen, want de stakker had last van hoogtevrees.

Toen ze hem wat te drinken aanboden, vroeg hij tomatensap met een snuifje peper en hij rookte er een geurige pijp bij. De mensen dachten: “Goh, wie rookt er nu nog pijp!”

Of het was toch niet zo gegaan. Er was helemaal niemand uit de hemel gevallen. De lucht was helemaal en hevig blauw.

Misschien was het meisje met de vrije borsten naar de oude man toegekomen en had ze gezegd: “Ik wil met jou naar bed.” En dan had de man met zijn stoffig jasje schijnbaar koeltjes geknikt, terwijl zijn hele hersenpan overhoop werd gehaald door de lente, die stilletjes in zijn lijf was gekropen. Hoe kan dat nou toch gebeuren?

Of er was helemaal niks gebeurd en het was niet eens lente. Maar dat is zo gezellig niet.

Op haar kamertje kreeg de man van dat meisje, en nam. Ze liet hem met zijn gezicht in haar pluis woelen, haar kleine hemelpoort, tot zijn wangen vochtig werden. En dan gooide ze haar poorten open en liet hem in haar buik. Ze had er even pijn van, want het was de eerste keer dat ze haar lichaam gaf. De man kwam en het meisje niet, maar zij was ook tevreden.

Daarna keken ze naar de vogels die langs het dakraam binnengluurden. Het bloed kwam naar het bloed, dat vlekken op haar blanke lakens maakte. Nee, zoveel was er niet veranderd, wist de man. Het was nog steeds prachtig om te zien.