Kruis

Christophe Vekeman

Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan en bovendien verschrikkelijk gedroomd. Ik droomde dat ik een lijk was. 't Was een van die dromen die na het ontwaken een hele tijd nog blijven nawerken: ik had het ijskoud toen ik wakker werd en kreeg het zelfs in bad niet warm, hoe rood het water mijn huid dan ook kleurde. Daarna kon ik bijna niet opstaan, zo ontzettend stijf was ik, en toen even later mijn gsm ging, bleek ik te traag om bijtijds op te nemen en moest ik dus mijn voice-mails checken. Wat een verrassing, dacht ik, toen ik Lodewijks stem hoorde. Hij begon met: 'Liefste Kruisje, waarom bel je toch nooit terug? Ik vraag mij soms echt af wat ik verkeerd heb gedaan. Ik denk eigenlijk niet dat ik dit verdien.'

Ik verbrak het contact nog vooraleer hij uitgesproken was. Ik heb tenslotte maar één leven. Hij zeikt altijd over hetzelfde, altijd gaat hij ervan uit dat wij nog steeds voor elkaar zijn geboren. Ondanks alles dus, bedoel ik. Hij is zo naïef als het kind dat hij ooit heeft verwekt en dat ik heb laten wegmaken. Ik wil best nog met hem omgaan, maar bovenal moet hij me met rust laten. Ik heb - wie weet? - van hem gehouden en dat doe ik misschien nog altijd, maar als dit nu liefde is, dan ben ik beter af zonder, geloof ik. Ik denk niet dat hij beseft hoe lullig hij zich voortdurend gedraagt, anders zou hij 't zo niet aanpakken als hij mij inderdaad terugwil. Waarom zou hij mij trouwens terugwillen? Ik denk niet dat het aan mij ligt. Ik heb gezondigd zoveel als ik kon, dus waarvan beschuldigt hij mij eigenlijk? Als hij mij toch zoveel te verwijten heeft, wat ziet hij dan nog in mij? Waarom trekt hij zijn conclusies dan niet? Waarom blijft hij mij lastigvallen?

♦ ♦ ♦

Ik zit in de tuin want het is mooi weer; ik blader in een tijdschrift en ik lees geen enkel artikel. Ik heb het nu niet koud meer, nee, integendeel, ik zweet. Ook de stijfheid is geweken: nu voel ik mij loom. Ik zou zo in een zonnige slaap kunnen glijden als ik zo bang niet was weer te dromen, te dromen dat ik een lijk ben of nog veel ergere dingen.

Een vaak terugkerende droom van mij is dat ik gekluisterd zit aan een rolstoel. Ook mijn armen zijn lam, lange slierten, en hangen roerloos langs de

wielen omlaag. Ik kijk over de wereld uit, sta geparkeerd aan de rand van een afgrond. Weg wil ik, ik wil weg. Ik roep wanhopig de hulp van voorbijgangers in, maar niet één is bereid mij te duwen…..

Mijn vader komt de tuin in, zich als vanouds niet bewust van het feit dat ik hem nog meer verfoei dan de rest van de wereld. Hij doet zijn mond open en vraagt iets en ik weiger eenvoudig om hem te verstaan. Ik laat geen stom woord tot me doordringen. Hij praat niet, hij kwaakt, hij is zielig en oud, ik wou dat hij ineenzeeg en stierf met gras in zijn vuisten. Als hij zijn mond afwachtend gesloten houdt, vraag ik hem eindelijk: 'Wát ?' Hij herhaalt wat hij gezegd heeft en ik luister opnieuw niet, maar zo gauw hij uitgekwaakt is, zeg ik ditmaal: 'Nee. Nee. Nee.'

Ik werp het tijdschrift op de grond. Ik kijk hem aan en knijp mijn ogen dicht als zat ik in een zandstorm. Als ik ze weer open, is Peter verdwenen. Sinds moeder dood is, wil mijn vader dat ik hem bij zijn voornaam noem. Zo is hij dus, en zo zal hij blijven. Zo wordt hij almaar meer. Dag na dag lijkt hij te groeien in zijn rol van grootste sukkel die de mensheid ooit gekend heeft. Hij doet zijn best in de richting van 't tegendeel, maar dat is geen excuus, natuurlijk. Des te erger zelfs. Ik ken geen medelijden met mensen als hij, met mensen die meelijwekkend zijn. Mensen die meelijwekkend zijn, roepen alleen maar mijn afschuw op. Waarom zijn ze zo meelijwekkend? Waarom lijden ze niet in stilte, net als u en ik? Ze kunnen verdomme de pot op. Mijn gsm gaat: Rosita. Ik neem op en zeg langzaam: 'Hallo?' 'Kruis,' zegt ze, 'ik heb heel groot nieuws.' Daarna zwijgt ze aanstellerig, ervan uitgaand dat ik brand van nieuwsgierigheid, zonder woorden zinspelend op het ongeduld dat ze bij me vermoedt.

'Fijn,' zeg ik daarom. 'En verder? Prima weertje, nietwaar, voor de tijd van het jaar.'

'Kruis,' zegt ze, 'je weet echt waar níet watje zou missen als ik je dit niet vertel.'

'Oké,' lieg ik half, 'kom op dan. Ik brand gewoon van benieuwdheid.' 'Wil je 't weten?' stelt zij verder uit, de imbeciele treitertrut. Ik antwoord dat ik het wil weten en mijn vader komt de tuin ingelopen, huppelend, een houten paard, hij zeurt dat er telefoon voor me is. 'Wacht even,' zeg ik tegen Rosita. 'Wie is het?' vraag ik mijn vader.

'Lodewijk,' zegt hij, en steekt een wijsvinger omhoog; hij heeft zo van die gebaartjes.

'Zeg maar dat ik niet thuis ben,' zeg ik. 'Ik vertelde hem net datje in de tuin zat.' 'Zeg maar dat ik niet thuis ben,' zeg ik, wend mijn blik af van de zeikstraal

en vraag daarna aan Rosita: 'Hallo, liefje, met wie spreek ik?' 'Luister,' zegt Rosita. 'Ken je Larry Beers nog? Weetje nog: Larry Beers?' 'Larry,' zeg ik, 'uiteraard. Wie zou er ooit Larry kunnen vergeten? Wat is er met hem?'

Ik laat me schuin terzijde zakken, reik naar mijn pakje Marlboro Light dat naast m'n stoel in het gras ligt, haal er een sigaret uit, steek die in mijn mond en op, inhaleer, blaas uit, zucht, vraag mij af wat er met Larry Beers in godsnaam aan de hand kan zijn, wie hij is, wanneer ik hem ontmoet heb, ooit, waarvan ik hem zou moeten kennen.

'Wel, Larry,' gaat Rosita verder, maar ik onderbreek 'r en zeg: 'Sorry, schat, bij nader inzien had ik zonet iemand anders voor, vrees ik. Wie is Larry Beers ook alweer? Precies, bedoel ik.'

'Jezus,' zegt Rosita, 'hoe kan je Larry nu vergeten zijn?' Het blijkt dat Larry Beers niet enkel een van haar vele ex-minnaars is, maar ook een van de nog meer jongemannen met wie ik Lodewijk ooit heb bedrogen in de tijd dat dit nog mogelijk was, daar ik geacht werd om monogaam te zijn, - die tijd heeft zo'n vier jaar geduurd en liep vijf maanden geleden ten einde toen ik in een opwelling van hardvochtigheid Lodewijk onverbloemd duidelijk maakte dat ik in de loop van onze relatie met meer verschillende jongens dan met hem naar bed was geweest. Ik zei hem dat ik een sloerie was, een slet, een sloerie, slet. Eerst wou hij 't niet geloven en daarna zei hij: 'Het kan me niet schelen, het doet er niet toe. Ik hou nog steeds evenveel van je, Kruis.'

'Maar ik allang niet meer van jou! Ik wil je niet meer! Misschien heb ik je wel nooit gewild!'

'Dat kan me niet schelen, dat doet er niet toe. Ik hou nog steeds evenveel van je, Kruis.'

Larry Beers, zo maak ik op uit wat Rosita mij vertelt, stamt uit de periode die gevolgd is op mijn zwangerschap en waarin ik mezelf bewijzen wou dat die abortus niet zo erg geweest was, niet meer dan een bagatel, door volop rond te neuken zonder een vorm van anticonceptie: 'Laat maar,' zei ik als jongens aanstalten maakten een preservatief om te doen, 'ik heb geen ziektes.' Die tijd ligt echter achter de rug. Ik heb nu een spiraaltje.

'Groot, blond, paardenstaart, tatoeage op zijn pols, grote blonde paardenlul,' gaat Rosita verder, helpt zij mij te herinneren, en eerst begint er mij vaag iets te dagen en daarna weet ik het plotseling allemaal weer: 'Jezus Christus,' fluister ik, 'Jezus, ja, Larry Beers.'

Ruim drie jaar geleden kwam Rosita met hem aan de praat in een café waar zij hem 'nog nooit had gezien'. Nou, dat kon wel kloppen, want hij was 'hier nog nooit geweest', zei hij. Hij woonde trouwens in een andere stad, kende

hier niemand, voelde zich een toerist. 'Daar moeten we dan gauw verandering in brengen,' aldus mijn beste, gulle vriendin, en nooit te beroerd om iets te delen waarvan er zichtbaar genoeg is, trok ze me bij mijn arm en zei: 'Ik ben Rosita en haar naam is Kruis.'

'Aangenaam,' zei Larry Beers, en je zag dat hij het meende. 'Oké,' zeg ik nu, 'het spijt me, schat. Larry Beers dus, jawel. Sorry hoor. Soms weet ik zelf ook niet wat er in godsnaam met mij aan de hand is. En,' vraag ik vervolgens, ondertussen echt hevig geïnteresseerd, 'wat is nu het grote nieuws?'

'Wel,' zegt Rosita, 'Larry zit hier naast mij en hij vroeg net of alles goed met je ging.'

♦ ♦ ♦

Rosita heeft haar T-shirt nog aan als Larry haar een eerste keer neemt terwijl ik naakt - braaf - op een stoel zit te wachten tot ook ik mij van mijn achterzijde zal dienen te laten zien. De nagels van Rosita's tenen krassen over het hout van de tafelpoten; haar in tij gerstof gehulde bovenlichaam ligt plat tegen het blad aangedrukt; zij werpt het hoofd in de nek als een stormend paard dat plots tot stilstand beteugeld wordt telkens wanneer Larry Beers - de handen op zijn bekken geplaatst, de vingers gespreid, de kontkaken hol - haar tot het uiterste bewijst dat hij meer te bieden heeft dan drie, vier doorsnee mannen samen: 't komt niet alleen doordat Rosita voortdurend die diepe geluiden uitstoot waarmee bepaalde topspeelsters de return van een keiharde bal plegen gepaard te laten gaan dat ik plots aan een tennisracket denken moet… Ik vraag mij af hoe ik drie jaar geleden, ik was tenslotte maar zestien toen, erin geslaagd ben om dat hele weekend naar behoren door te komen, zonder blijvende schade dus.

Dan merk ik dat ik een klein beetje bang word, ik begin aan iets te twijfelen, al weet ik niet aan wat precies, - dat ik smacht naar 't moment waarop ik aan de beurt ben, staat hoe dan ook buiten kijf. Wat scheelt er mij dan? Wat bezielt mij?

Ik besluit dat ik gewoonweg niet veel langer meer kan wachten. Ik begin te vrezen, vrees dat ik voor de rest van de middag veroordeeld ben tot de rol van passieve toeschouwster. Dat Larry's kelk aan mij zal voorbijgaan. Dat ik niet aan mijn trekken zal komen. Al weet ik dan natuurlijk best dat Larry onverzadigbaar is, toch speelt deze vrees mij plotseling parten, absurd, onterecht, onbegrijpelijk: is 't immers niet op nauwelijks verholen, hoogstpersoonlijke vraag van Larry Beers zelf dat Rosita mij opgebeld heeft? Vanwaar dan mijn twijfels, mijn redeloze terughoudendheid plots?

Ik denk: ik wou dat Larry verliefd op mij was. Ik wil dat Larry mij openrijt, dichtnaait, pijn doet, tot leven wekt, troost, duwt, doodt. Ik wou dat ik verliefd op hem was. Ik weet soms zelf ook niet wat er in godsnaam met mij aan de hand is. Ik sta op, doe snel mijn kleren aan en sluip zonder omzien de deur uit. Niets of niemand houdt me tegen.

♦ ♦ ♦

Het is half acht 's avonds, ik heb zo-even een maaltijd bereid voor mijn vader en het is mei en het weer is mooi en al de rest is lelijk, ik ook, ik in de eerste plaats zelfs, ik ben echt waar niet om aan te zien. Ik zit op mijn kamer en luister niet naar de muziek die ik opgelegd heb. Ik rook mijn sigaretten, drink van mijn wijn, denk mijn gedachten, huil mijn tranen zonder verdriet, ik geloof dat ik straks een afspraak heb met een vriend of vriendin of weet ik veel wie. Ik kan het me niet goed herinneren. Ik kan mezelf er zelfs niet toe brengen te proberen het mij te herinneren. Ik kan mij onmogelijk van de indruk ontdoen dat het allemaal van geen belang is, dat er niets bestaat dat belang heeft. Ik weet dat die indruk verkeerd is, maar met die wetenschap schiet ik ook niets op. Ik wou dat ik drugs had genomen en dus een verklaring had voor hoe ik mij voel. Ik heb geen drugs genomen. Als ik drugs neem, is het nog erger.

Ik slaap gewoon te weinig. Maar waarom slaap ik zo weinig? Waarom kan ik niet slapen? Is 't omdat ik het haat om wakker te liggen? Is 't omdat ik het haat om wakker te zijn? Wil ik kortom mezelf straffen door mij niet te gunnen waarnaar ik verlang? Komen uit mijn behoefte aan straf ook al die vreselijke dromen voort? Waarom wil ik mezelf straffen? Wat heb ik mezelf misdaan?

Ik denk mijn gedachten zoals ik een boek lees, - zoals iemand anders een boek leest, bedoel ik, want om te lezen ontbreekt het mij aan 't vereiste concentratievermogen en overigens interesseert het mij niet wat mensen, dermate vol van zichzelf en hun ideeën dat zij met alle geweld romans willen schrijven, eindeloos te vertellen hebben.

Ik denk mijn gedachten zoals ik in de spiegel kijk en vaststel hoe ik er blijk uit te zien: steeds opnieuw ben ik verbaasd, verbouwereerd en ongelovig; ik neem mijn toevlucht tot machteloos hoofdschudden; ik wil niets met mezelf te maken hebben en wou maar dat ik iemand anders was. Ik wil niet iemand anders zijn. Ik wil niemand zijn.

'Goed voor jou,' zou je kunnen zeggen, want niemand zou wellicht met mij willen ruilen….. Ik rook mijn Marlboro Lights, drink rode wijn - of is het porto? - en denk na

over mezelf. De vraag luidt: 'Hoe komt het toch datje zo bent, Kruis?' Het antwoord laat als steeds op zich wachten.

Ik krijg een sms-je. Op het display van mijn gsm lees ik: 'Waar blijf je? Kom je? We zitten te wachten!'

Het bericht is afkomstig van Raf, en nu schiet het me te binnen dat we met de groep bijeen zouden komen om zeven uur in Marlon. Ik besluit niet te gaan, ik gá gewoon. Ik ga de deur uit en haast me zelfs: ik merk dat ik de trap afstorm en het buiten bijna op een holletje zet. Daar loop ik nu. De Marlon is gelukkig niet ver en even later word ik collectief en hartelijk begroet: iedereen blijkt al aanwezig, laaft zich aan wijn en de zon, alsook aan elkaars gezelschap. Ik neem plaats op een plastic stoel naast Rosita. Ze geeft mij een knipoog en grijnst. 't Lijkt of haar gezicht in tweeën gescheurd wordt. Zij is duidelijk dronken en stoned, maar vooral toch stoned. Ze ziet eruit als een tweepersoonsbed dat in geen twintig jaar nog is opgemaakt. Ik vraag hoe het gaat en ze vertelt dat Larry Beers nog altijd in haar studio is, waarschijnlijk ligt hij te slapen nu. Ze rept met geen woord over mijn vertrek deze middag, al valt me dat pas veel later op, wanneer Raf allang aan 't uiteenzetten is waar de voorstelling over handelen zal en ik mijn gedachten van hot naar her zit te volgen.

Honderd weekends zappen voorbij en ik schrik op wanneer ik mijn naam hoor: 'Kruis,' zegt Raf, naar mij kijkend, ik weet zeker dat hij ernstig ziek is, 'zie ik dus in de rol van Anita. En Dunk' - nu kijkt Raf naar Dunk - 'is Jan. Ofwel wordt Jans rol door Stief' - nu kijkt Raf naar Stief - 'gespeeld, daar moeten we nog over praten, daar moet ik nog eens over nadenken.' Nadat hij hijgend ademgehaald heeft, zegt Raf: 'Hoe dan ook, het bijzondere aan de prent is dus - en let alsjeblief nu goed op - dat het een pornofilm zal worden met een offscreen-commentator. Of beter nog: twéé commentatoren. Hetzelfde principe dus als bij een live uitgezonden voetbalwedstrijd.' Hij neemt, geestdriftig wordend, zijn papieren ter hand en leest voor uit het script: '«Jan verkeert in grote vorm vandaag, dat merk je wel aan alles, niet, Eddy?»

«Zeker weten, Harry. Kijk hem daar eens in de weer zijn met die machtige kont van Anita. Kijk eens hoe brutaal en nietsontziend hij er naar hartelust in tekeer gaat. Jan bewijst hier nog maar eens dat hij zonder meer bij de besten hoort. Een absolute topper! Onbetwijfelbaar wereldniveau.» «Hoor Anita eens jammeren….»

«Ja, wat jammert ze luid, hé. Die heeft morgen geen stem meer.» «Als dat alles is wat haar mankeert, zal ze nog van geluk mogen krassen, me dunkt…» «Daar zeg je zoiets, ja, haha, Harry… Kijk nu toch eens, kijk toch eens…

Ziet en hoort dat, dames en heren… Jan - 'The Jiver', zoals hij ook wel genoemd wordt - is er afgelopen woensdag tweeënveertig geworden, maar heeft desondanks nog geen enkele….» «Kijk wat hij nu doet, Eddy!»

«Verhip, Harry, wat gebeurt er nu? Hij….. Hij…..! Ik kan mijn ogen niet geloven! »

«Je ziet het nochtans goed, Eddy! Jan heeft Anita plots een klap gegeven, een stomp tegen haar achterhoofd, zodat zij nu buiten kennis is….. In het vuur van de strijd blijkt hij opeens de controle te hebben verloren…» «De controle over zichzelf…»

«En hij heeft toegeslagen, 'The Jiver'! Anita ís toch gewoon bewusteloos, hé?» «Wel, ik mag hopen van wel, Harry….» «En inmiddels blijft Jan almaar voortbeuken….»'

Hij zwijgt en kijkt rond, nieuwsgierig naar onze reacties en vooral overtuigd van zijn eigen genie. Anita begint in haar handen te klappen en Rosita volgt daas en gedwee, maar de bewegingen kosten haar moeite en haar trage applaus ontbeert elk enthousiasme en krijgt bijgevolg - ik vermoed onbedoeld - iets schrijnends en sarcastisch. Raf blikt quasi-bescheiden richting zijn glas en trekt zijn mondhoeken omlaag teneinde zijn blijdschap en trots te verdoezelen.

Dunk zegt: 'Dat ziet er goed uit,' en Stief kan dat naar eigen zeggen alleen maar volmondig beamen.

Raf zegt: 'Wat denk jij ervan, Kruis?' en laat er tot mijn opluchting onmiddellijk op volgen: 'Ik denk dat het zal lukken. Ik denk dat dit iets goeds kan worden.'

'Dit gaat geld opbrengen,' zegt Dunk, en kijkt op zijn beurt naar mij. Ik knik zo verwoed als maar mogelijk is, mijn hele bovenlijf in de strijd werpend, niet in staat om 'Ja' te zeggen: ik krijg mijn onderlip niet van tussen mijn tanden.

Anita slaat opnieuw de handen tegen elkaar. 'Ik meen,' zegt zij, 'dat wij allemaal wel iets te vieren hebben.'

'Dat denk ik dus ook,' besluit Raf. Hij steekt zijn hand op en bestelt. Als de wijnflessen op tafel staan, wil hij weten of er nog vragen zijn. 'Voorlopig,' zegt hij. Hij kijkt om zich heen, gaat met zijn blik de hele tafel af, kijkt ons elk om de beurt in de ogen. Ik sla de mijne neer als hij bij mij is beland. Ik weet ook niet waarom. Misschien ben ik bang dat hij mij zal besmetten. Ik hoor

Rosita 'Gezondheid' zeggen. Ik denk toch dat ze 'Gezondheid' bedoelt.

♦ ♦ ♦

Het is na middernacht en ik ben juist thuis, ik ben dronken, geestesziek, misselijk; ik voel de behoefte mijn brein uit te braken. Ik schenk een glas J&B in en ga ermee op mijn balkon staan, dansend, ik druk het glas tussen mijn borsten, wiegel langzaam met mijn heupen, ik kijk naar de maan en ik kijk naar de sterren. Er zijn er geen. Ik zie ze toch niet. Ik drink mijn glas leeg eer ik het laat vallen en roep halfluid 'Vreemd!' als ik het daarna tussen mijn voeten zie staan, ongeschonden, klaar om te worden ingeschonken. 'Een mirakel!' roep ik nu veel luider. Ik buk mij om het glas te nemen, stoot mijn hoofd aan de rand van de balustrade.

Beneden mij roept terug: 'Spring en je komt in mijn armen terecht!' 'Dan maak ik mezelf nog liever van kant,' dien ik de stumper van repliek, en wankel naar binnen, het glas in mijn hand. Ik sluit mijn balkondeur zo zorgvuldig alsof ik mijn eigen cipier ben. Het dringt tot me door dat ik Raf heb gepijpt. Ik volgde hem naar het mannentoilet, niet gehinderd, eerder aangespoord door de blikken die in mijn rug priemden. Raf is homoseksueel en ik pijpte hem daar hij weigerde me te neuken. Ik zei: 'Denk maar dat ik Dunk ben, of Stief.'

'Dunk,' zei hij toen hij klaarkwam.

Ik lig wakker op bed, ik wil slapen, het lukt niet; ik lig te bellen met Lodewijk en ben te dronken om te verstaan wat hij zegt. Hij is te zat om zijn woorden af te maken en ik denk dat wij allebei huilen, maar uiteraard kan ik mij vergissen. Ik heb zin om te masturberen. Ik héb geen zin om te masturberen. Wel heb ik zin om er zin in te hebben, maar dat is dus iets heel anders. Ik denk: misschien zou masturberen helpen. Misschien zou ik metterdaad zin krijgen. Ik begin te masturberen. Ik ben sterker dan mezelf. Er is een heleboel leegte. En eigenlijk zelfs dat niet.