Je suis pornographe du phonographe
(Georges Brassens, ‘Le pornographe’)
Ronald Commers
Net gekeken naar de kwartfinales van ‘De vrijgezel’.
Er blijven nog drie vlammen over. Eigenaardig genoeg allemaal in statiekledij.
Om naar een Te Deum te gaan. Is ook een beetje zo. Een beetje Te Deum
zonder koning te paard. Een Antwerps dialect wauwelende vrijgezel moet er nu
voor gaan, zie. Nog drie en hij is er. Voor ons, de veronderstelde kijkertjes,
met een fluit en preut zo geil als wat, zoals het grote mensen dient te passen,
uitgezakt gezeten bij de chips-en-sherry, en met een ego van tussen de 10 en 15
jaar, net genoeg om te kunnen volgen, voor die veronderstelde kijkertjes dus, is
het nog even wachten. Op de hete tranen van nog twee andere mokkeltjes die uit
de harem zullen verdwijnen.
De tranen van Neuron en Porneia.
Maar let nu eens goed op! Laat je nu eens niet beetnemen! Achter wat je ziet,
geschiedt het. Zo is het altijd geweest. Wat er is, is het niet. Wat er niet is,
is het.
Elk uitvallend mokkeltje wordt door een waardige dienstknecht, met het
aangezicht van een soldaat van capo Toto Giovanni, in een zwarte limousine af-
en weggevoerd.
Juist, daar wil ik het nu even over hebben.
Dat af- en wegvoeren in het holst van de nacht. Een huilend mokkeltje, dat nog
even de trappen kwam opgelopen om aan de stijve Antwerpenaar een hete kus te
geven. Waarna hij, acteur spelend en volgens aanwijzingen van een Grote Broer,
zo’n beetje triest zijn uitgedunde harem vervoegt.
Daar gaat het om. Het af- en wegvoeren van die mokkeltjes in de zwarte nacht.
Wie weet er niet tot wat een, zijn illusies kwijt gespeelde, mens allemaal
bereid en in staat is. Inderdaad. Tot alles. Mefistofeles, die heeft toch niet
zichzelf uitgevonden, nietwaar? Mefisto, het is God die hem verzon. Welaan. De
duivel vaart in ons. Die vrouwen, zij verkopen lijf en ziel, zeker weten. Aan
iedereen. En dus aan de gemeenste knecht die rijdt in opdracht - let op mijn
woorden - die ‘rijdt’ in dienst van zijn meester. Leporello, je hebt hem. Waar
naartoe, in de zwarte limousine, rijdt Lepe Lepo met het begerig wijfje? Zij is
in Te Deum-kledij. Hij is in rok, met lederen handschoenen aan, zijn haar
als schoenen glimmend.
Natuurlijk gebeurt daar onderweg wat. Oogjes wijd gesloten,
maat! Oogjes wijd gesloten!
Niet op de trappen van het keukenpaleis met die Antwerpse vale jonker. Wel in de
limousine. Eerst. Vervolgens waar Lepo de Lepe het gespreide wijfje brengt. De
deuren staan er al wijd open. Daar wordt wat afgeschuimd, wees ervan verzekerd.
Met spanen fel.
Die Te Deum-kleren, niet anders dan om er helemaal naakt onder te zijn.
Vol overgave. Lepo’s meesters wachten, diep in het bos. Juist. Giovanni! Hij
weer. Je kent hem. De tranen van Neuron en Porneia. Niet, zoals ons zwart
paterke, de heilige Georges Zonder Kop 1, het zich inbeeldde. Meer zoals de
Prins van de Nacht het zich verbeeldde:
Au clair de la lune,
Mon ami Pierrot,
Filons, en costume,
Présider là-haut!
Ma cervelle est morte.
Que le Christ l’emporte!
Béons à la lune,
La bouche en zéro.
Inconscient, descendez-en nous par réflexes:
Brouillez les cartes, les dictionnaires, les sexes…2
In het maanlicht, de geest als kaarten door elkaar geschud, met woorden uit duizend talen, de begeerte dol als een rad. Op de achterbank kreunt zij nog: Als ik mijn lief geen voldoening schenk en mijn lief mijn begeerte niet vervult, zou ik van verwoedheid sterven en stervend nog woeden. De begeerte die me beheerst is in geen enkele taal te beschrijven. Ik begeer mijn lief ten volle te genieten en te kennen en door en door te smaken, zijn mensheid genietend één met de mijne… Hij geeft zich aan mij…en gaf me te drinken uit de kelk…3
Zo geschiedde dus. Op weg naar de nacht der gekke begeerten.
Door het bos der uitzinnige lusten. Met Lepo en met zijn meester. Drinkend uit
hun kelk. Hun mensheid genietend. Smaakvol en begerig.
En marge. Altijd weer aan de rand. Nooit in het midden van hun bestaan,
bij klaarlichte dag. Telkens verborgen en duister.
In de bourgeoisruimte van ons bestaan - de plaats van de vale jonker, de
veronderstelde vrije gezel - de schijn van ordentelijkheid. Ik bedoel, Neuron,
de gespannen spier, de boulimie en de anorexie, maar dan wel getooid in
statiekledij als voor een Te Deum.
Achteraan in de tuin, waar het bos der lusten begint, staat Lepe bode al te
wachten. De deur van de limousine wijd opengezwaaid. Zoals zijn zinnen en de
hare, wijd opengezwaaid. Porneia.
De westerse cultuur lijkt een geschiedenis van dit beestige koppel. Dr. Schön en
Lulu. Die cultuur is door de samenwerkende vennootschap van christendom
en kapitalisme - de geest en het lijf - de maatschappelijke ruimte waarin de
vrije val van Eros en van de seksuele armoede plaatsgrijpt 4. Wilhelm Reich, hoe
gek hij moge zijn geworden, hij heeft zich niet vergist. Evenmin Gérald Zwang,
toen hij 1965 in de Dictionnaire de sexologie (uitgave Pauvert) schreef
dat de zich in het Westen ontwikkelende samenleving een sociaal-neurotische
dimensie bezit voor zover zij vijandig staat tegen vreugde en lust, tegen
lichamelijk en geestelijk vertier. Wie weet het niet: zowel in sport, als in
eten en drinken, als in seksualiteit en in arbeid, altijd zijn de vreugde en de
lust van de menukaart geveegd. En van de weeromstuit is de vijandigheid zelf
weer de basis van een potentieel neurotiserende, door seks geobsedeerde vermaak-
en massacultuur. Een massacultuur die in dezelfde mate antizintuiglijk blijft
als ze seksistisch georiënteerd is.
Boris Vian schreef eens dat ooit-misschien-wie-weet het menselijke samenleven
erotisch bevrijd zal zijn, wanneer een mens in de krant kan lezen:
Amis je veux éjaculer
Tout le vieux foutre accumulé
Dans la boutique de mes couilles
Je sens se roidir mon andouille
Il n’est plus temps de reculer
Mâle, femelle, âne ou citrouille
Ce soir je vais tout enculer.
Een noodwendig fantasietje, terwijl wij wachten op de halve
finale van “De vrijgezel”.
Tot straks.
Noten:
1 Vrees niet, het is maar een spel. Ik bedoel, geachte lezer mijn vriend en
vriendin, de gewijde Georges Bataille, schrijver van een neurotisch stuk onder
de titel De tranen van Eros. Bataille, ‘de weduwnaar van God’, voorzitter
van een tweekoppige loge, Acéphale. Waarna ze werd opgeheven.
2 Jules Laforgue, ‘Complainte de Lord Pierrot’, in Complaintes, 1885.
3 Vrees niet, het is maar een spel. Ik bedoel, geachte lezer, mijn vriend en
vriendin, dat ik Hadewychs gloedvolle woorden (uit haar Zevende Visioen)
eventjes naar mijn hand heb gezet. Weinig voor nodig overigens. Het staat er
allemaal.
4 De auteur van dit artikel is de schrijver van een op één jaar tijd uitverkocht
boek (dat nooit werd herdrukt), De val van Eros. Over seksuele armoede
vandaag (2000).
5 Boris Vian, Ecrits pornographiques, Paris, Union Générale d’Editions,
1980, p. 46. Ik parafraseerde. Titel ‘Je suis pornographe du phonographe’ naar
‘Le pornographe’ van Georges Brassens.