Dolen
Jan B.
Er was eens een man die niet slapen kon. Ten einde raad ging hij naar de dokter. Hij kreeg een slaapmiddel dat uitstekend hielp. Alleen droomde hij nu dat hij wakker lag.
Dat verhaal vertelde Anton zichzelf nacht na nacht, als hij in het donker voor zich uit lag te staren. Hij piekerde niet, zijn hart klopte regelmatig, hij ademde rustig en diep, maar de slaap bleef weg.
Ze lagen in een twijfelaartje. Hij moest maar een paar centimeter naar links kruipen om zijn onderbuik tegen Carolines warme billen aan te schurken. Zij sliep de slaap der rechtvaardigen, diep maar niet in stilte. Bij het inademen maakte ze een sissend geluid, dat in kracht toenam tot de luchtstroom haar droge huig aan het trillen bracht en het gesis overging in een grol, die bij elke adembeweging luider werd.
Psssssj-rt. Psssssj-rrt. Psssssj-rrret. Psssssj-reut. Psssssj-rrreut. Psssssj-rrreut! Psssssj-REUT. Psssssj-REUT! Psssssj-REUT!!! Hij kende het patroon door-en-door en wist hoe hij zou reageren. Eerst zou hij het geronk negeren. Hij zou zich wijsmaken dat het hoorde bij de nacht, zoals de roep van de nachtzwaluw of het kwaken van kikkers. Als dat mislukte, zou hij actief aan de actie deelnemen. Hij zou de deinende golven berijden als een surfer, die met gecoördineerd benenspel de tomeloze kracht van het water tot zijn voordeel aanwendt. Hij zou de sputterende machine betrekken bij het schaapjes tellen. Pssssj - een lammetje, rrrt - het springt over het hek. Psssjt - de ooi, reut - ze gaat erachteraan. Pssssj - de ram. Maar het zou hem niet helpen. De schaapjes zouden steeds dikker worden, tot ze het hek verpletterden. Ten einde raad gaf hij zijn vrouw dan een por. De warmte van haar lichaam verraste hem telkens weer. Ze reutelde kort maar heftig, alsof er een mes in haar rug werd geploft. Soms kwam haar hoofd een paar centimeter van het kussen en mompelde ze een excuus, heel zwak, als een echo uit een andere wereld. Daarna begon alles opnieuw.
♦ ♦ ♦
Bij de vaart woonde een heks. Hij kon haar ruiken. Ze was groen en vol slijm als het water dat aan weerskanten van de weg op hem wachtte. Waarom lag zijn school toch voorbij het bos?
Hij was gedoemd tot de smalle strook tussen berm en kasseien. Bij regen ploegden zijn banden door de modder. Scheen de zon een paar dagen, dan stolde de smurrie tot richels en sleuven. Zijn fiets schampte erop af, het stuur bonkte tegen zijn handpalmen.
's Ochtends was zijn angst draaglijk. Meestal reden er anderen voor en achter hem, scholieren die dezelfde kant uitgingen, of arbeiders van de steenfabriek, een kopzak op de brede rug. Maar als de school uit was en iedereen zich naar huis spoedde, kon hij de groep niet bijhouden. Lang voor halfweg waren ze verdwenen. Om vier uur 's middags was het licht anders in het bos. In de struiken floten vreemde vogels. Naarmate de heks dichterbij kwam, werden zijn benen zwaarder. Trager en trager maalden zijn voeten. Laat ze er niet zijn, bad hij. Spaar me! Maar de muurtjes aan de kant van de brug waren nauwelijks twintig meter ver en achter de struiken rechts ving hij al een glimp op van het gifgroene water.
Hij ging rechtop in de trappers staan. Weg! Weg! Voorbij! Wanneer hij de vaart precies kruiste, wilde hij niet weten, maar zijn fiets pleegde verraad. Zie, zie, lispelden de banden op het beton van de brug. Hij kneep zijn ogen nog meer tot spleetjes en keek strak voor zich uit terwijl zijn adem door zijn longen gierde. Haar stank overweldigde hem, ijskoude handen streelden zijn wangen. Voorbij, voorbij, verder! De vogels gingen te keer. De rest van de weg maalde hij af als een bezetene. Het mocht niet baten. Hij wist dat ze morgen weer op hem zou wachten.
♦ ♦ ♦
Anton draaide zich op zijn andere zij. Koud schijnsel gaf aan waar de klokradio stond. Het licht was zwak, maar nu zijn zintuigen waren aangescherpt leken het schijnwerpers op lage wolken. Hij keek, maar las de cijfers niet. Sinds de eerste waterklok geloven we dat de tijd maat kent, regelmaat. Ten onrechte: terwijl de seconden wegtikken, zet de tijd uit en krimpt, neemt toe in kracht en verstilt weer. Er zijn geen minuten, geen seconden, alleen eeu-wigheden waarin je vele malen sterft en onmiddellijk herboren wordt. Het was steeds even laat als de slaap van de voornacht hem in de steek liet, als een hoer die naar de volgende klant trekt. En het zou even laat blijven tot het nieuws van halfzeven hem los zou rukken uit de slapeloosheid.
♦ ♦ ♦
De duivel was zwart en gemeen en hij stonk. Hij woonde in een donkere toren die de weg naar zijn grootouders bewaakte. Over de flanken van het monsterlijke gebouw kropen slangen en buizen. De schoorsteen braakte rook en roet uit, die mensen ziek maakte en verstikte. Vader zei dat het een kolen-centrale was. Anton wist beter.
Als de auto bij de ijzerwinkel linksaf ging, kroop hij achter de stoelen en smeekte zijn ouders hem te roepen als alles voorbij was. Eén keer had zijn vader hem op de proef gesteld. Hij was opgelucht tevoorschijn gekomen terwijl de sombere massa de zon afblokte en de rook overal boven hem was. Het duurde weken voor hij zijn ouders weer durfde aankijken.
♦ ♦ ♦
Anton had pillen geprobeerd. Ze werkten, maar ze hielpen niet. Eén was zo bitter, dat de smaak hem dag en nacht bijbleef. Een andere gaf nachtmerries, epische taferelen vol vernedering en nijd. Er waren tabletjes die in zijn mond verkruimelden als druivensuiker; ze brachten hem aan het doezelen terwijl hij 's avonds nog wat las, maar overdag leek het of zijn hoofd vol zat en er geen gedachte bij kon.
De maan hing buiten rond, net als de kat. Hoe hoog boven zijn vermoeide lichaam strekte de kamer zich uit? Twee meter dertig, vijfduizend miljard lichtjaar? Vannacht was de hemel overtrokken, want hij zag geen enkele ster aan het plafond. Klaas Vaak moet op zijn instrumenten landen, dacht hij. Pas op, er zijn windstoten tot vijftien knopen! Pssssjt-reut! Wat is slaap anders dan het evenbeeld van de kille dood? Ovidius, dacht hij. Gebrek aan slaap, dus gebrek aan dood. Ik ben verdwaald in dit leven en dool door gangen zonder einde of begin. Er is geen buiten of binnen, de weg loopt om het gebouw heen en dient geen ander doel dan de misleiding. Er zijn dwaalsporen voor indringers, zodat het gasthuis van de slaap voorbehouden blijft aan de uitverkorenen. Wie niet droomt, zal het rijk der hemelen niet binnengaan. Zalig de armen van geest, want zij worden niet vervolgd om hun dwanggedachten.
♦ ♦ ♦
In de Vinkenstraat waren er geen slagbomen. Als de bel rinkelde en de rode lichten knipperden, dan had je tien seconden om je gebeden te zeggen. De dood donderde voorbij als een blauw monster met een hondenkop. Op een dag nam het monster Kaatje mee, een meisje uit de derde klas. Anton kende haar alleen van zien. Sproeten en vlechtjes. Daar hield het dus op.
♦ ♦ ♦
Hij stond op en liep naar de badkamer, naakt. Met zijn scheenbenen tegen het porselein plaste hij in de donkere diepte. Het water van de wereld gaat door mij heen, dacht hij. Ik sta aan de rand en teken parabolen die niemand ooit zal zien. Parabolen, parabelen. Er was eens een man die niet slapen kon. Nee, niet opnieuw!
Er hing nu een zoete geur van zweet en aceton in de slaapkamer. Mala aria, dacht hij. Uit het bed klonk gepruttel, een stoommachine in traagloop. Hij moest haar voorbij de middellijn duwen. Zij schoof een eindje op, zachtjes, woordeloos.
Ze leeft nog, dacht hij. Zij wel.