Recensie: Nutshell

van Ian McEwan

Wie aandachtig de literaire strapatsen van Joe volgt heeft het daar gelezen: de uitdrukking ‘in een notendop’ hebben we gewoon van Shakespeare gestolen. Ian McEwan weet dat natuurlijk ook, hij citeert uit Hamlet om zijn nieuwste roman in te leiden: ‘Oh God, I could be bounded in a nutshell and count myself a king of infinite space – were it not that I have bad dreams’. Niemand minder dan Hamlet zelf stuurde deze woorden de eeuwigheid in. En we ontmoeten nog referenties naar Hamlet in deze alweer zalige roman van McEwan: Trudy is de moeder (zie Gertrude, de moeder van Hamlet), en Claude, de minnaar van de moeder, zal wel verwijzen naar Claudius, de oom en latere stiefvader van Hamlet. Bovendien is de échte vader van de naamloze verteller een dichter, zij het een wat mislukt dichter (en uitgever van andermans poëzie).

Wie is nu de naamloze verteller? De foetus die in de notendop van Trudy schuilgaat, als alles normaal verloopt nog een maandje, en dan doet hij zijn al dan niet blijde uittrede.  Is een foetus een persoon? Dan is hij (een foetus is een hij of een het, nooit een zij, zegt mijn Kleine Groene) de ik-persoon, nietsziend maar alleshorend. Begaafd met een fijne deductiezin, zodat hij – hij heeft tenslotte al maanden ervaring –  zomaar de conversaties rondom hem kan volgen en aanvoelen, weten wat voor soort kledij zijn moeder draagt (en welke kleur, hoewel hij natuurlijk ook nog stekeblind is). En een glas wijn drinken, zomaar via de mama, en meer dan één, want mama lust ze nogal, hij kan het onderscheid ‘proeven’ tussen een Sancerre en een Pouilly-Fumé, op latere prenatale leeftijd zit hij zelfs op indirecte wijze mee aan de Scotch. En denken dat zijn moeder een ongelooflijk mooie vrouw is, en hartstochtelijk van haar houden, en van zijn vader ook, die zachtmoedige dichter. Niet van Claude, de broer van vader, want die schavuit heeft zijn vader de deur uitgewerkt, de plaats in het bed van mama Trudy ingenomen. In tegenstelling tot zijn dichterlijke broer is Claude het soort mens dat voortdurend in clichés spreekt – wat die mooie Trudy mag bezielen om zo’n klungel te verkiezen boven een poëet, het is onze schrandere foetus een raadsel. Ik kan onze kleine vriend alleen maar ‘de foetus’ noemen, want aan een naam heeft het (stief)ouderlijke trio niet eens gedacht, daar zou de kleine schelm zich toch ook wel vragen mogen bij stellen. Trouwens, nergens wordt ook het geslacht van de snuiter vermeld, zelfs niet terloops in de communicatie tussen de volwassenen, het lijkt wel of ze niet weten dat hij bestaat – stemrecht heeft hij alvast niet. Ik blijf hem maar hem noemen, grammaticaal sta ik in elk geval recht in mijn schoenen, ‘het’ vind ik al helemaal niet klinken, en met die Hamlet op de achtergrond lijkt me de kans op it’s a boy het grootst.

Dus oké, wat hebben we hier? Een van de knapste Engelstalige hedendaagse schrijvers brengt ons, in de schaduw van Hamlet, een thriller die er mag zijn, jaloersheid en bedrog alom. De mooie Trudy werd verliefd op de verwekker van onze foetus toen ze pas een jaar of achttien was (Ophelia!). Best een lieve vent, een beetje dromerig, en financieel een ramp. Zijn broer daarentegen, Claude, die was uit gehaaider hout gesneden, wat in onroerende zaken gerommeld en daar een aardige duit aan over gehouden, hoewel die duit danig aan het slinken was gegaan, ’t is crisis voor iedereen. Foetus is er getuige van hoe Claude en Trudy proberen de dichter uit zijn eigen huis te verjagen, een erfenis van zowat 8 miljoen pond waar kleine broer Claude een oogje heeft op laten vallen. Niet bepaald een paleis, dit Elsinore waar om gestreden wordt, want Trudy, zo zal blijken, wordt dan wel geadoreerd door haar ongeboren spruit, én door diens oom Claude, én door de vader van de spruit, die niet zomaar uit zijn paleisje te verwijderen is: ons Trudy is niet bepaald een voorbeeld van huiselijke netheid. Het ruikt niet bepaald fris in dat paleisje, de vloeren glibberig van de rotzooi, de trappen levensgevaarlijk, zeker voor een acht maand zwangere jonge vrouw. Staaltje van McEwans glorieuze verbeelding en taalgebruik, de foetus spreekt: We’re safely on the ground floor, among the busy morning hum of flies that cruise the hallway’s garbage. To them the untied plastic bags rise like shining residential towers with rooftop gardens. The flies go there to graze and vomit at their ease. Their general bloated laziness invokes a society of mellow recreation, communal purpose, mutual tolerance. This somnolent, non-chordate crew is at one with the world, it loves rich live in all its putrefaction. Dat allemaal maar om te zeggen dat het in de gang stinkt en dat er contente vliegen op de vuilniszakken zitten. Something is rotten in the state of Denmark!

Nog plastischer wordt McEwan als de foetus een copulatie tussen de twee samenzweerders, Claude en Trudy, beschrijft: op zowat een centimeter van zijn bijna geboren hoofd tot een glorieuze ontknoping laat komen, ook foetussen hebben gevoel voor humor.

Maar terug naar het verhaal: moord! Die echte vader moet opgeruimd worden, dat huis moet door Claude veroverd worden, weg met de echte vader. De foetus, op de hoogte van alle plannen van de samenzweerders, hoort alles, begrijpt alles en is machteloos, hoogstens kan hij zijn geliefde moeder een stevige, dreigende trap verkopen, maar helpen doet dat niet. Het plan wordt doorgezet, helemaal hilarisch wordt het als er ook politie bij te pas komt, want uiteraard zijn er complicaties en het waterdichte plannetje van die twee idioten wordt gedwarsboomd door allerlei omstandigheden waar ze nu net niet aan gedacht hadden.

Denk nu maar niet dat McEwan een bagatelletje ter amusement van zijn eigen talent heeft geschreven, al bespeur je de lol die hij bij het schrijven heeft gehad op iedere pagina. Nutshell is een ode aan de taal, aan de poëzie, aan het componeren van een glorieus verhaal, met Shakespeare in gedachten. Lees Nutshell: nooit bekijk je nog een zwangere vrouw zonder argwaan! (Jonathan Cape, 2016 – 199 blz)

René Hooyberghs