Recensie: Cox oder Der Lauf der Zeit

van Christoph Ransmayr

Cox erreichte das chinesische Festland unter schlaffen Segeln am Morgen jenes Oktobertages, an dem Qianlong, der mächtigste Mann der Welt und Kaiser von China, siebenundzwanzig Steuerbeamten und Wertpapierhändlern die Nasen abschneiden liess.

Wat denk je van zo’n openingsparagraafje, voor wie wil vertaal ik even boudweg uit de losse pols: Cox bereikte het Chinese vasteland onder slappe zeilen op de ochtend van die Oktoberdag waarop Qianlong, de machtigste man ter wereld en keizer van China, zevenentwintig belastingambtenaren en wisselagenten de neus liet afsnijden.

Is dat een entrée en matière of niet? Dat slappe, impotente van die zeilen van Cox, tegenover de potentie van de man die zevenentwintig neuzen laat afsnijden. Hiermee zet de schrijver in drie lijntjes al wat nog zal volgen in het juiste perspectief.

Nu wip ik even naar pagina 300, daar geeft Ransmayr wat duiding over twee hoofdfiguren uit deze verbluffende roman:

–         er heeft effectief een legendarische uurwerkmaker James Cox (in de roman heet hij Alister Cox) bestaan, zijn fantastische creaties zijn nog in Europese paleizen en musea, evenals in de Verboden Stad in Beijing terug te vinden (hoewel de echte James Cox nooit in China is geweest). Wél heeft hij in Engeland gewerkt aan een Perpetuum Mobile. Hij kwam, door te werken met het principe van atmosferische druk, dicht in de buurt, maar faalde uiteraard.

–         Keizer Qianlong (wat zo ongeveer Bovenaardse Overvloed betekent) leefde effectief van 1711 tot 1799. Hij was de vierde keizer van de Qingdynastie. Hij had behalve ontzaglijke macht en rijkdom ook eenenveertig echtgenotes plus meer dan drieduizend concubines. Hij was een verwoed verzamelaar van uurwerken, maar heeft nooit met een Engelse uurwerkmaker gesproken.

Zo, we kunnen terug naar ernstige zaken, namelijk de taal en de fictie. Dat Ransmayr een taalvirtuoos is weten we al sinds Die letzte Welt en Der Fliegende Berg. Maar eerst: in het lijstje van min of meer historische figuren hierboven, ben ik de voornaamste vergeten: De Tijd. Het meten van de tijd aan de hand van gesofistikeerde luxe-uurwerken was in het Europa van de achttiende eeuw een geliefd tijdverdrijf (vergeef me de woordspeling). De romanfiguur Alister Cox was, net zoals de historische James Cox, createur van uurwerken voor de verzamelingen van keizers, koningen en de nieuwrijken uit de rijkwordende burgerij: wereldberoemd dus – tot in het Keizerrijk China. Bij de Cox van Ransmayr moet ik denken aan onze (twee eeuwen oudere) Christoffel Plantijn: gentleman én ambachtsman én zakenman tegelijk.

In zijn gezinsleven wordt Alister Cox getroffen door een tragedie. Hij huwt een jong meisje, Faye, ze krijgen een dochtertje Abigail. Abigail sterft al jong, een kind nog, zoals dat ging in die tijden. Faye en Alister kunnen het verdriet niet de baas, Faye trekt zich in zichzelf terug, weigert nog te praten. Cox kent alleen nog werk, het ontwerpen van de bizarste automaten om de tijd mee te meten, raderwerken ingebouwd in complexe sculpturen, versierd door de duurste edelstenen en mineralen. Dan komt, na jaren van rouw, een uitnodiging uit China, van de keizer zelf: wil Cox ter plekke een uurwerk komen vervaardigen, alles staat hier tot zijn beschikking. Cox’s zaken lopen vanzelf, niets bindt hem nog aan Engeland. Hij neemt zijn drie bekwaamste werklui mee en zet koers naar China, een maandenlange en levensgevaarlijke reis, belandt dus met slappe zeilen in de haven van Hang Zhou.

Dat van die neuzensnijderij, dat was nog maar klein bier bij wat onze keizer Qianlong allemaal aan martelpraktijken en lijfstraffen kon bedenken. Dat bloederige welkom op de kade weegt danig op het gemoed van onze vier uurwerkmakers: wat ook de opdracht van de keizer moge zijn, falen is geen optie.

Onze helden krijgen een tolk toegewezen, Joseph Kiang, die hen ook zal wegwijs maken in de geboden en verboden aan het hof. Per jonk gaat het over het grootste ooit door mensenhanden gebouwde kanaal naar Beijing, waar ze hun verblijf in de Verboden Stad krijgen toegewezen. Geen glimp van de Goddelijke Keizer krijgen ze te zien, het lijkt alsof de mysterieuze opdracht door het hof vergeten is. Naar eigen inspiratie zetten de vaklui zich aan het werk, ze bestellen de duurste en zeldzaamste mineralen en metalen om hun fantasie op uit te leven: niets is onmogelijk, alles wordt binnen de kortste keren geleverd. Wél heeft Cox een glimp opgevangen van een jonge vrouw, hij heeft haar nauwelijks gezien: terwijl twee jonken elkaar kruisten zag hij een vage schim van een jong meisje of jonge vrouw, ze herinnert hem zowel aan Faye als aan Abigail, haar schim wordt een obsessie.

Pas als de reusachtige hofhouding van de Keizer naar de zomerresidentie verhuist – een gigantische operatie, alles, maar dan ook alles en iedereen moet worden ingepakt, versleept, verscheept en uitgepakt, over berg en dal, de hele operatie doet me denken aan de waanzinnige maandelijkse verhuis van het Europees parlement naar Straatsburg – pas dan, in de zomerresidentie, krijgt Cox in zijn nieuwe atelier de Keizer zowaar persoonlijk op bezoek. En krijgt hij zijn opdracht te horen: bouw een uurwerk dat zo eeuwig is als de Chinese Muur, zo onverzettelijk, zo eindeloos: bouw een perpetuum mobile. Cox en zijn mannen (eentje is op die waanzinnige tocht van de Verboden Stad naar de zomerresidentie gesneuveld) versagen niet, Cox bestelt enorme hoeveelheden kwik, zijn machine zal gebaseerd op luchtdruk de tijd eeuwig blijven meten. Het bouwen ervan neemt zoveel tijd in beslag dat de hofhouding niet tijdig de terugtocht naar de Verboden Stad kan aanvatten, tot groot ongenoegen van de mandarijnen en hun voetvolk, maar de Keizer beweegt niet, dus het hof blijft: geterroriseerd door die trage Engelsen die hun machine maar niet voor elkaar krijgen.

Die almacht van de Keizer (ik schrijf ‘m al automatisch met een grote K!) zweeft door de hele roman, hij is niet voor niets de Heer van Tienduizend Jaar, de Hemelheerser, naast al zijn andere eretitels. Merkwaardig dan, dat hele leger, die hele veiligheidsdienst die nodig wordt geacht hem te beschermen – en even merkwaardig hoe, tijdens een verkenningstochtje naar de Grote Muur onze Engelsen zowaar worden aangevallen door één opstandeling.

En nog merkwaardiger hoe, in de ingesneeuwde zomerresidentie, de onaanraakbare Keizer samen met één van zijn duizenden concubines een bezoekje brengt aan het atelier, om te kijken of ze nog wat zijn opgeschoten. Hoe die concubine, uiteraard die mooie vrouw die hij met zijn jonk gekruist had en waarop hij verliefd was geworden, met de keizer familiair omspringt, als enige in het hele keizerrijk niet hoeft te knippen en te buigen (die fameuze kowtow, voorhoofd tegen de grond en hem nooit in de ogen kijken), maar zowaar grapjes met hem uithaalt, hem aanraakt. Alleen zij mag met hem door de sneeuw wandelen (terwijl tientallen wachters verdekt opgesteld ontzet deze ongewone, publieke intimiteit gadeslaan): Gelacht? Hatte sie eben gelacht? Dochdoch, fast alle ängstlich verborgenen Beschützer hatten gehört, wie sie gelacht hatte. Sie war in den Fussstapfen des Kaisers gestolpert, und der hatte sich wie irgendein Sterblicher nach seiner Frau, wie irgendein Mann, irgendein Bauer nach ihr umgedreht, und sie war aus ihrem Fehltritt lachend in seine Arme gefallen.

Christoph Ransmayr is een gezegend schrijver en poëet in de echte zin van het woord, zijn beschouwingen over macht en onmacht (hij plaatst de verdrietigste man ter wereld tegenover de machtigste man ter wereld en kijk wie uiteindelijk ten dienste staat van wie), zijn beschrijvingen van weelde en armoede, zijn bedenkingen bij het begrip tijd, maar bovenal zijn heerlijke taalrijkdom maken van Cox oder der Lauf der Zeit nu al een van de meesterwerkjes van de eenentwintigste eeuw. Hoe het met dat perpetuum mobile dan afloopt (en de reactie van Keizer erop) zijn zaken die de lezer liever zelf zal ontdekken.

Inmiddels is Cox ook in het Nederlands vertaald en verschenen: Cox, of het verglijden van de tijd, bij Prometheus. (S. Fischer Verlag – 2e druk, 2016 – 298 blz)

René Hooyberghs