Recensie: Schaduw en vuur

van Dimitri Bontenakel

Schaduw en vuur is een familieroman. En verdomd, als daar al op de eerste pagina geen Deedee opdaagt! Het zal toch weer niet waar zijn zeker, een herkauwen van Hugo Claus, hebben we daar nog niet genoeg onder geleden? Een pagina terugslaan en de titel van dit segment van de roman nog eens herlezen: ‘Het meisje en de imker – juli 2042’. Klinkt dat nu niet optimistisch – zomers? Komaan, de tanden erin! Helaas: dystopie alom: Deedee op de slaapkamervloer van een vieze, vervallen Brusselse loft. Een stel dreigende types, kolossen, alle drie, met een huid zo zwart dat zelfs het zonlicht er geen vat op kreeg. Hun ogen waren verborgen achter krachtige zonnebrillen. Deedee’s medebewoner, Stan, draaide zich op zijn buik en loste een rochelende kreun. Tsjonge, ’t wordt me het zomertje wel, daar in Brussel in 2042…

Al gauw blijkt dat Dimitri Bontenakel ook in dystopie zijn gevoel voor poëzie en humor niet verliest. De auteur is een fan van Kurt Vonnegut, de man die van so it goes een iconische uitspraak heeft gemaakt. Die Vonnegutiaanse ironie, dat aanvoelen van en spelen met de reacties van de lezer, het zit allemaal in deze familiekroniek die zich in chronologisch omgekeerde richting afspeelt. Een meesterlijke vondst, zo zal blijken. Niet vermoedend dat de uiteindelijke hoofdrolspelers (een mens en een camera) al meteen aan bod komen stapt de lezer in de gebeurtenissen en de atmosfeer van Brussel en vooral Antwerpen in 2042. Het ziet er uiteraard niet goed uit: Linkeroever is zowat tot een moeras herschapen, de ferry’s tussen linker- en rechteroever zitten overvol (waar zijn de tunnels?), elementaire boodschappen doen is een nachtmerrie. Overleven is een kwestie van sluw zijn. Deedee is ook al niet het brave, dociele meisje dat je in de eerste pagina’s ontmoet. Stan is een sluwe opportunist, maar daar redt hij het niet mee. Alleen Leon, de ouwe imker die zich op een zolderverdieping in dat Brusselse appartementsgebouw schuilhoudt, biedt de lezer een menselijk houvast, hier is iemand, een ouwe man die terugkijkt op een bizar verleden. Meer kan ik over het verhaal hier niet kwijt, iedere brok informatie teveel is een plotspoiler.

En zo neemt Dimitri Bontenakel ons mee, in romansegmenten die je achtereenvolgens meevoeren naar ‘De poppen – oktober 2027’ en via nog een paar chronologische tussenstappen naar ‘De kinderen – juli 1982’. Dit procedé geeft de auteur de kans de lezer voor steeds nieuwe raadsels te stellen: wie is Timur, wie is Nora, wie is Elle Loveling, wie is Braggadoccio? Ze dagen plots in het verhaal op, hun relatie met de hoofdpersoon (wie is de hoofdpersoon eigenlijk, over wie gaat het hier?) en de relaties tussen de personages onderling worden retroactief onthuld, als in een soort omgekeerde striptease. Het is doorlezen tot de laatste pagina om alle verbanden – en de totale intrige – te snappen. Maar doorlezen met plezier, je bent op ontdekkingsreis in een wereld die met veel verve wordt afgeschilderd, de auteur houdt van zijn personages, ook van de schoften en de schlemielen, uiteraard vooral van de schlemielen.

Dimitri Bontenakel doet ook iets merkwaardigs met het achtergronddecor van zijn verhaal. Bij teveel romans werken die nutteloze tussenvoegsels die het verhaal kleur moeten geven deze lezer danig op de heupen. Zo van als er slecht nieuws gaat komen: de donkere wolken trokken zich samen (ik overdrijf nu wel een beetje, maar toch). In Schaduw en vuur zijn dat soort details de peper en zout van het verhaal, de tikjes verf die het landschap kleuren. Ik sla het boek open en pak één willekeurige paragraaf: De half ontmantelde koeltorens van Doel waren bulten aan de einder. Het tot schuimkoppen opengebroken water sloeg stuk tegen het beton. Een meeuw nam de maat van een in een worstenbrood happende tiener. Ja, goed zo: die half ontmantelde koeltorens, dat is relevante informatie, in een paar woorden. En die meeuw, die de maat van die tiener neemt, je ziet het zo dat schuine, gemene kopje, klaar voor de aanval. Super!

Er zitten, zeker voor Antwerpse lezers, heel wat grappige referentiepunten in Schaduw en vuur. Er wordt met namen van personages en instituten gestoeid, een figurant in het verhaal heet Sam Dillemans, een kunstgalerij heet Schadenfreude, de dochter van Elle Loveling (Virginie Loveling werd geboren in Nevele…) heet Chi, spreek uit Sjaai, naar Chi Coltrane. Dat alles neemt niet weg dat het hier om een stevige roman met stevige intriges gaat, dat het noodlot prominent doorheen de pagina’s waart, dat vooral, zoals we weten, één onvertogen woord levenslange gevolgen kan hebben voor wie het op zich afgevuurd krijgt. Maar dat woord kom je pas in de laatste pagina’s te weten, het is de sleutel tot al wat voorafging.

Schaduw en vuur is een roman van grote goesting: de schrijfgoesting van de auteur drijft van de bladzijden, de leesgoesting van deze lezer was te meten aan de frequentie van het omslaan van die bladzijden.

Als je de schrijver al iets zou kunnen verwijten is het een teveel aan goesting: de reis naar het Hoge Noorden is me iets te expliciet, even dreigt het een reisverslag te worden. Maar dan gaat het weer in razende vaart verder – of, beter gezegd, in razende vaart terug.

De auteur voegt ter verduidelijking nog een tweetal pagina’s met achtergrondinformatie aan het boek toe. (Wereldbibliotheek, 2017 – 302 blz.)

René Hooyberghs