Recensie: Swing Time

van Zadie Smith

Een nieuwe van Zadie Smith, ’t is altijd het wachten waard. Ik heb enkel haar debuut, White teeth (2000) en daarna On Beauty (2005) gelezen: twee opmerkelijke werkstukken. Daarbij kwamen nog The Autograph Man (2002) en NW (2012), en nu dan Swing Time. Swing Time, de titel speelt met de tijd én met de personages. Eigenlijk bestaat Swing Time uit twee romans die moeiteloos in elkaar overlopen.

Enerzijds is er de coming-of-age story van twee vriendinnen, later twee jonge vrouwen, zo van hun tienjarige tot hun dertigjarige leeftijd. En over hun moeders. En over een miljardair, Aimee, Australische popvedette waarbij ik steeds maar aan Madonna moet denken, zo’n soort figuur. Geen mannen in deze roman? Ja hoor, maar zij zijn duidelijk het zwakke geslacht, de nemers van stomme beslissingen.

De twee meisjes zijn de naamloze ik-persoon die het verhaal vertelt en haar hartsvriendin Tracey. Ze groeien op in wat politici zo fraai ‘een achtergestelde buurt’ noemen. Het doet me denken aan een interview met die andere miljardair, Vincent Kompany, op de BBC, na de aanslagen die in zijn Molenbeek waren uitgebroed: We only saw politicians every four years or so, when they came to make promises, just before the elections. Voetballers, kijk maar naar Johan Cruyff, zijn filosofen.

Tracey is van de twee vriendinnen de bijdehandste, het vlugst in de evolutie van meisje naar vrouw, het rapst beboezemd en beboyfriended. ‘Ik’ is meer van het type dat zichzelf in de schaduw zet. Ligt dat aan de opvoeding?

Tracey wordt ‘opgevoed’ door een alleenstaande, drinkende moeder (blank, de afwezige vader zwart). ‘Ik’ door een autoritaire zwarte moeder, wereld- en zelfverbeteraarster, altijd met een boek en een ambitie op schoot, en door haar blanke, ambitieloze vader (hij is liever brievenbesteller dan kantoorbediende bij de post). Onafscheidelijk zijn ze, die twee, vooral in hun passie voor dans. En niet zomaar dans: ‘ik’ is bezeten door de ouwe zwart-wit films, de musicals met Fred Astaire en Ginger Rogers, niet alleen de romantiek ervan maar ook de technische kant van het dansen, ze kent de namen van alle acteurs en vooral actrices in de bijrolletjes, de achtergronddanseresjes. Bezeten.

Ze weten hun zo van elkaar verschillende moeders ervan te overtuigen: ze mogen naar balletles. Tracey, de meest kansloze, de armste, met dure gouden balletschoentjes aan. ‘Ik’, de marginaal beter gesitueerde, met de goedkoopste en lelijkste schoentjes van de hele school, haar moeder ziet geen heil in het hele avontuur.

Zo’n vriendschap verloopt met horten en stoten, ze verliezen elkaar, mede door toedoen van hun inadequate ouders, wel eens uit het oog. Tracey beoogt een échte danscarrière, komt ook in dat milieu terecht (we zijn in Londen, dat vergat ik nog te vertellen). ‘Ik’ mag naar college, maar niet naar een van de prestigieuze universiteiten, nee hoor, een nieuw, nauwelijks bekend instituut ergens aan de kust – niet bepaald een referentie voor een job later, die job komt er dan ook moeilijk. Maar ja, ze wordt stagiaire bij YTV, een hippe tv-zender in volle bloei, zeg maar in het echt MTV. Als de Australische diva Aimee de studio van YTV op een promotour bezoekt krijgt ‘ik’ een verantwoordelijke opdracht: de auto van Aimee op straat opwachten en haar naar de vergaderzaal brengen. Tsjonge, de zenuwen gieren haar door de keel, wat moet ze aandoen, hoe zit het met haar kapsel, dat soort dingen. Uiteraard moet ze iets zeggen, maar wat? De hele, twee minuten durende operatie, verloopt zo chaotisch dat Aimee haar prompt als hulpje in dienst neemt, een ongelooflijke opportuniteit.

En vanaf nu staat het leven van ‘ik’ volkomen ten dienste van Aimee, haar eigen leven is nog nauwelijks van tel. Aimee, met prachtige huizen in Londen en New York, met de privé jet, met een heuse hofhouding die volledig bestaat uit vrouwen (behalve de bodyguard/chauffeur, een zwarte homo). ‘Ik’ schopt het tot de status van wat je ‘eerste hofdame’ zou kunnen noemen, tussen haar en Aimee staat enkel de onwankelbare Judy die het leven van Aimee, privé én business, organiseert. Zo wordt ‘ik’ zelf deel van de jetset (maar niet op eigen kosten), heeft nog nauwelijks benul van het échte leven.

Tot de hyper-dynamische Aimee wat aan liefdadigheid gaat doen. Meisjes in Afrika moeten betere kansen krijgen, ze gaat een school oprichten of sponsoren, in Gambia nog wel (daar spreken ze Engels). Ze legt de brede lijnen van haar project even uit aan ‘ik’, terwijl ze naast elkaar op loopbanden in haar privé-gym lopen te hijgen: Governments are useless, they can’t be trusted, Aimee explained to me, and charities have their own agendas, churches care more for souls than for bodies. And so if we want to see real change in this world, she continued, adjusting the incline on her running machine until I, who walked on a neighbouring one, seemed to be watching her dash up the side of Kilimanjaro, well, then we ourselves have to do be the ones to do it, yes, we have to be the change we want to see. By ‘we’ she meant people like herself, of financial means and global reach… Het is maar één van de knappe frases waarin Zadie Smith haar personages typeert. En om de relatie tussen de twee helemaal scherp te stellen gaat het even verder nog door: At last she was finished, we stepped off our machines, I passed her a towel, we walked together to the editing room. Weer knap, hoe ‘ik’ haar die handdoek moet overhandigen die waarschijnlijk naast Aimees ‘running machine’ klaar lag. Als Aimee een slechte nacht heeft gebeurt het dat ‘ik’ met haar de slaapkamer deelt, naast het bed van de diva, op de grond.

En zo komt het dat Aimee met haar hele gevolg per privéjet in Gambia landt, daar zowat het hele land op stelten zet, louter door te verschijnen. Daarna alle praktische en onpraktische dingen delegeert, vooral aan de competente maar machteloze projectmanager Fern én aan ‘ik’ die als een go-between fungeert en als een spionne Aimee op de hoogte houdt van wat fout en goed gaat – voor zover ze dat al zelf kan beoordelen.

Doorheen dat alles gebeuren op onregelmatige tijdstippen ontmoetingen tussen ‘ik’ en Tracey, tussen ‘ik’ en haar immer ambitieuze moeder die het tot een lokaal bekende politica brengt (waardoor haar huwelijk strandt en ‘ik’ zich bij haar vader aansluit). Tussen ‘ik’ en Aimee verloopt het ook niet allemaal even vlot. Naargelang ‘ik’ zich meer in Gambia gaat verankeren (lokale vriendin Hawa, lokale vriend Lamin) vervreemdt ze mentaal van Aimee. En wat blijkt, die immer op nieuwe relaties beluste Aimee laat haar geile vedettenoog op de eenvoudige Ghanese dorpsonderwijzer Lamin vallen. Excellent promomateriaal natuurlijk, zowel voor het project als voor Aimee zelf. Daar ontstaat het ultieme conflict tussen de twee vrouwen, ‘ik’ beland zonder een dollarcent op straat, opeens niet meer in staat een onafhankelijk leven te leiden. Een ontmoeting met Tracey loopt faliekant af. Haar moeder doodziek, haar vader total loss. Tracey intussen een alleenstaande moeder, net als haar eigen moeder, maar erger nog: van drie kinderen – van drie afwezige vaders. Arme Tracey, nog steeds gedreven, nog steeds bezeten door dans, maar uitzichtloos fout.

Vlijmscherp is Zadie Smith in dit boek, het beste dat ik van haar las. De situaties zo herkenbaar, zelfs zo’n ver-van-ons-bed miljardair als Aimee, best mogelijk dat Zadie Smith zich wel eens zelf in dit soort milieu heeft bewogen: de materiële welstand van zo’n Madonna, Michael Jackson, Axel Witsel, Kevin De Bruyne, Beyoncé, het bestaat natuurlijk allemaal, allemaal zullen ze wel hun eigen hofhouding met eigen koks, chauffeurs, bodyguards, doctoren mee met zich in privéjets rond de wereld slepen. Dat ‘gepriviligieerde’ volkje, vaak afkomstig uit de veelvuldige Molenbeeks van deze wereld, geconfronteerd met de rauwe producten van hun broedplaatsen, knap hoor.

Swing Time, de titel is perfect: enerzijds een allusie naar de dansmuziek waar het allemaal mee begon, anderzijds naar de wisselende lotgevallen van de twee vriendinnen, van hun Molenbeek naar (poging tot) glamour en terug. Er zit hier en daar wat teveel ballast in het boek, naar mijn smaak: een overbodige zijfiguur waaraan dan teveel aandacht moet worden geschonken, zoals de zangleraar van ‘ik’ of de nieuwe vriend van haar moeder, gedreven als steeds noemt moeder hem ‘the noted activist’, daarmee ook haar eigen ego een boost gevend. En nogal wat mensen uit dat Ghanese dorp ook, waarover we niet per sé alles moeten weten.

Maar zeker lezen maar weer, deze Zadie Smith, ook voor mannen, al komen die er in deze roman zo bekaaid af.
(Hamish Hamilton, 2016 – 453 blz.)

René Hooyberghs