Recensie: De bekentenis van Adrià

van Jaume Cabré

(Oorspronkelijk titel: Jo confesso, uit het Catalaans vertaald door Pieter Lamberts en Joan Garrit.) Van 2003 tot 2011 zat Jaume Cabré (Barcelona, 1947) in Matadepera, een dorp ten noorden van Barcelona, te schrijven aan Jo confesso. Acht jaar, maar dat klopt natuurlijk niet: aan die acht jaar is zonder twijfel heel wat studie en opzoeking en overpeinzing voorafgegaan. De bekentenis van Adrià is een van die zeldzame romans waarin je niet alleen een sterk verhaal, maar ook nog gratis een boeiende cursus Geschiedenis van de Westerse Cultuur krijgt ingelepeld.Het gaat hier om het leven, van wieg tot graf, van Adrià Ardèvol i Bosch. Maar er is een pak andere hoofdfiguren die ruimschoots hun zegje krijgen. Sara natuurlijk, de vrouw van zijn leven. Bernat, de vriend van zijn leven. Fèlix, zijn vader, en Carme, zijn moeder. Zwarte Adelaar en Sheriff Carson, de twee speelgoedfiguurtjes die Adrià zijn hele leven met raad en daad zullen bijstaan. Een unieke viool uit de zestiende eeuw, een Storioni genaamd Vial uit de achttiende eeuw. Op de eerste pagina al komen we te weten dat De bekentenis van Adrià inderdaad een soort biecht is: Vertrouw me niet te veel. Dit genre, de geschreven herinnering voor één lezer, neigt er zodanig toe de waarheid te verdraaien dat ik altijd weer op mijn pootjes terechtkom, net zoals een kat. Maar ik zal mijn best doen niet te veel te verzinnen.

En we beginnen bij de kindertijd van Adrià. Mits wat detectivewerk vinden we dat Adrià, net als Jaume Cabré zelf, in 1947 geboren is (op pagina 109 staat dat hij in 1958 11 jaar oud is). Zijn ouders heeft hij slecht gekozen, vindt hij. Vader Fèlix is een despoot, moeder Carme heeft weinig in de pap te brokken. Enig zoontje, dat is hij ook nog. Vader heeft een antiekwinkel waarin heel zeldzame en kostbare stukken worden verhandeld: manuscripten van befaamde literatuur, muziekinstrumenten, schilderijen. Ach, ik vergat nog een hoofdpersonage: een schilderijtje met een landschap door de Catalaanse schilder Modest Urgell, waarover nogal wat te doen is. Vader Ardèvol stelt hoge eisen aan zijn hoogbegaafd zoontje: hij zal al als kind een talenwonder worden. Moeder wil dan weer dat hij een meesterviolist wordt, tenslotte hebben ze – in een kluis – die uiterst zeldzame en wonderlijk mooi klinkende Storioni liggen. Ooit moet Adrià met dat instrument hoge toppen scheren. Tegen zijn zin slaagt Adrià in de testen van zijn vader, als ik ze goed geteld heb schrijft, spreekt en leest hij 11 talen waaronder Aramees, Latijn, Oudgrieks en Nederlands (een belangrijk deeltje van het verhaal speelt zich in Antwerpen af, zelfs het oord Schoten wordt vermeld). Ook het vioolspel krijgt hij onder de knie, maar niet zo goed als zijn levenslange boezemvriend Bernat – maar die heeft dan weer geen Storioni. Maar al bij al een nogal ongelukkige, liefdeloze jeugd voor de kleine Adrià, die zijn toevlucht zoekt bij Sheriff Carson, Zwarte Adelaar en ook bij Kleine Lola, de huishoudster van de familie.
Later speelt liefde voor de vrouw Sara een grote rol in het leven van Adrià, een complexe liefde want het verleden van vader Fèlix gooit roet in het eten. En nu moet ik gaan oppassen: er valt met een onvoorzichtig woord veel leesgenot te bederven, daar doe ik liever niet aan mee. Laat me veeleer nog gauw een hoofdpersonage waarover ik het nog niet had vernoemen: Het Kwaad, daar kampt Adrià levenslang mee.

Ik heb het liever over de schrijver Jaume Cabré dan, of vooral over zijn schrijfstijl. Cabré plaatst dan wel Adrià centraal in het verhaal van zijn leven, maar zodra zich een conflict in het leven van Adrià voordoet maken diens gedachten een merkwaardige zijsprong, Cabré laat de lezer meespringen op die zijpaden van het verhaal. Zo komen we bij de bouw van de Storioni in het Cremona van de achttiende eeuw terecht, op andere kruispunten in de roman belanden we in verhalen die zich tijdens de inquisitie afspelen, of tijdens de Francoperiode, of in de Tweede Wereldoorlog in concentratiekampen en in Antwerpen, we maken de steniging van een overspelige vrouw mee. Dat alles in die éne lange tekst, die aan één persoon gericht is, en waarin de schrijver ervan soms in de ik-persoon spreekt of zich Adrià noemt en het verhaal ogenschijnlijk door een derde laat vertellen.

Adrià wordt universiteitsprofessor (geschiedenis), publiceert prestigieuze boeken die onder andere door Isaiah Berlin worden geapprecieerd. Hij stamde al uit een erudiete familie, dat heeft als gevolg dat de roman doorspekt is met allerlei verwijzingen naar figuren uit de wereld van kunst, cultuur en politiek door de eeuwen heen. En denk maar niet dat je een flauw afkooksel van Umberto Eco te wachten staat. Jaume Cabré laat zijn Adrià trouwens wat leuks vertellen over Eco op pagina 385:
Adrià zat op de wc Le forme del contenuto te lezen, en hoorde heel duidelijk TRIIIING (…). ‘Ik kom al’, mopperde hij. Met Eco onder zijn arm deed hij de deur open, en daar stond je, lieveling, op de overloop. Zo, Eco als toiletliteratuur, je moet maar durven. Maar Eco komt wel op een van de belangrijkste gebeurtenissen in het verhaal, dus hij zou zich zeker geflatteerd hebben gevoeld. En hij is in de bibliotheek van Adrià in uitstekend gezelschap.

De bekentenis van Adrià is een heerlijke, intelligente, noodzakelijke, prachtig geschreven én van de lezer nogal wat concentratie vergende roman, waarin de auteur de confrontatie van de absolute schoonheid met het absolute kwaad aangaat.

(Signatuur, tweede druk, februari 2013 – eerste uitgave 2011 – 676 blz.)

René Hooyberghs