Recensie: De Slembroucks

van Peter Theunynck

Wie wel eens meer dit rubriekje leest weet dat ik een onbeschaamd liefhebber ben van de KVR, de Kleine Vlaamse Roman. De KVR heeft geen behoefte aan het weidse van de Grote Amerikaanse of Russische roman. Een beetje bedeesd, een beetje hypocriet, een beetje op zijn Vlaams dwingt hij het drama in het keurslijf van de keuken, de huiskamer, de slaapkamer, desnoods de woonwagen, de straat, de kermis, de parochie – maar veel verder wordt de vuile was niet uitgehangen. De taal is de taal van de kleine woorden, half ingeslikt, de verdrongen vloek, het landschap afgebakend door populieren langs de weikant, altijd een kerktoren zichtbaar, in de verte soms een donker klooster. Of van de straatjes in de arbeiderswijk, iedere scheet hoorbaar voor de buren, iedere burenruzie een opera buffo voor groot publiek.

De begenadigde dichter Peter Theunynck doet met De Slembroucks een geslaagde gooi naar opname in het pantheon van KVR-schrijvers. Van Claes tot Claus, van Boon tot Vlaminck: Theunynck grabbelt al hun clichés bij de nek en doet er het zijne mee. Al meteen de titel voert je onbewust mee naar De Metsiers, dat tot mijn verbazing nu al 66 jaar geleden voor het eerst verscheen (De Bezige Bij, 1950). Geraffineerd als hij is zet Theunynck de lezer meteen op zijn plaats door in zijn roman zelf Claus ten tonele te voeren, maar over die neuzenzetterij straks meer. Alle clichés van de KVR zei ik, dus: ruziënde familieleden, kwezels van tantes, eerlijke werkmensen, pastoors en hun meiden (niet met hun jonge knaapjes, hoewel ook zij in het seminarie dreigend om het hoekje komen loeren), bloedschande, collaborateurs, chique familie uit Brussel die probeert Frans te spreken, zowaar een rijk familielid uit Amerika: alle ingrediënten zijn aanwezig. Geen bloederige moord, nog net niet, Peter (en de gemiddelde Vlaming) is een zachtaardig man.

En kijk, waar Dostojevski voor zijn verhaal van de Karamazov-broertjes duizend pagina’s nodig heeft, daar heeft een goeie KVR-schrijver genoeg aan zo’n kleine 160. De broers Gust en Anton Slembrouck komen net als de Karamazovs uit een fictief dorpje, hun Skotoprigonjevsk heet Duivenkerke. We zijn in de jaren van Het Verdriet van België, zo rond 1950, de oorlog is nog niet helemaal verteerd. Zie al meteen hoe de namen van de broers gekozen zijn: de goeiige Gust (te goeiig om wielrenner te worden) als gedoodverfde loser (in Antwerpen zegt men niet voor niks: ‘hij stond daar als Gust in de cirque’); Anton daarentegen, dat klinkt al wat frivoler, wat stoerder, daar gaan ze last mee krijgen. De toon is gezet, meer vertel ik niet over de inhoud, die 158 pagina’s moeten leesplezier blijven.

Liever nog iets over de voor mij merkwaardigste stem uit dit fijne romandebuut: de stem van de verteller. Wie is deze verteller? Een anoniem familielid die de hele historie kent? Een dorpsgenoot? De biechtvader? Dat zal wel niet, het is de allesweter, zo is er maar één: de schrijver zelf. Hij doet me denken aan het prentje dat in mijn kinderjaren in mijn boek Gullivers Reizen stond, bij het hoofdstuk over de Lilliputters: Gulliver is op de grond in slaap gevallen, tijdens zijn slaap hebben de Lilliputters hem met touwen vastgebonden. Druk lopen ze om hun gevangene heen, enthousiast over hun heldendaad. Ze beseffen niet dat één niesbui van de ‘reus’ Gulliver genoeg is om hen met z’n allen naar de maan te projecteren, één beweging genoeg om hen te verpletteren. Maar nee, welwillend kijkt de reusachtige Gulliver op hen neer, hij is een vriendelijke reus die geen vlieg kwaad zou doen. Zo, een beetje monkelend, compatieus kijkt de verteller op zijn creaties neer, een beetje verbaasd over wat ze elkaar allemaal aandoen, kijk, hij heeft ze pas geschapen en daar heb je het gegooi in de glazen al. Hij houdt van ze, hij vergeeft hen, zelfs de collaborateur, zelfs de bloedschenner, zelfs de verwaande tante uit Brussel. Echt kwaad zit er niet in, wel het geniepige van de KVR’er, het herkenbare van het Vlaamse, kleinburgerlijke wereldje, nauwelijks de schaduw van de kerktoren ontvlucht: als hun schepper niet van hen zou houden, wie dan wel?

Peter Theunynck licht zo met blij gemoed zijn lezer ook een beentje: net als je begint te denken dat je hier een soort parodie op de KVR zit te lezen komt er toch een verrassende wending, een ontroerende brief, een bizarre onthulling. Zo speelt hij een soort pingpong met de lezer, tot die eindelijk toegeeft dat hij zich, niks aan te doen, geamuseerd heeft, ontroerd is geweest, geboeid en gefascineerd door de taal van de dichter – want de dichter verbergt zijn woordkunst niet, lees maar mee: Zeulend met zijn reiskoffer loopt Gust Duivenkerke uit. Urenlang volgt hij de smalle meanderweg langs de IJzer, richting zee. De kale populieren stutten als Dorische zuilen het staalblauwe hemelgewelf. De rietkragen wiegen in de wind en de meeuwen drijven als papieren vliegers landinwaarts. Hij voelt zich log en zwaar, niet alleen door die ellendige reiskoffer, maar ook door de rugzak vol onzekerheid die hij overal met zich meesleept. Hij zou veel ballast overboord willen gooien. Als je voor zo’n paragraaf in een door drama volgepropte 160 pagina’s nog plaats kan vinden, dan mag je tweede roman best wat meer volume bieden: je lezer krijgt er toch nooit genoeg van. (Wereldbibliotheek, 2016 – 158 blz.)

René Hooyberghs