Recensie: Batavia

van Hendrik Conscience

Hij leerde zijn volk lezen! Ja, mij alvast wel, zij het niet op de manier die de bedenker van deze slogan had bedoeld. Toen ik elf was kreeg ik van mijn moeder het mooiste boek dat ik ooit had gezien. In een lichtgroene linnen band: De lotgevallen van Huckleberry Finn. Mark Twain! Ontelbare keren gelezen. Een jaar of twee later was ik van het gemeenteschooltje van Schoten naar het Sint Eligiusinstituut in Antwerpen gesukkeld, ik moest dik tegen mijn zin mee toen mijn ouders verhuisden. Voor ik het wist zat ik met de Leeuw van Vlaanderen op mijn schoot. Eén Conscience, nooit meer. Behalve Jan Breidel en Pieter De Coninck herinner ik me vooral de naam, omdat hij zo mooi klonk, van Gwyde van Dampierre. Ja, en ook Robberecht van Bethune. Mijn culturele voorkeur lag echter meteen vast: voor eeuwig en nog altijd allergisch voor leeuwenvlaggen, blauwvoeten, gulden sporen en andere pseudofolklore. Nee, dan de weidse vlakten van de Mississippi, met al die dubbele medeklinkers, ik was de enige op school die het meteen juist kon schrijven.

En dan loop ik voorbij Antiquariaat Tonen in de Kloosterstraat: een stapel boeken van Conscience ligt buiten in een bakje, twee euro per stuk. Toch maar even door die hoop roffelen: Batavia! Het kan toch niet dat die gekke Conscience (zie hem daar zitten, op zijn pleintje in Antwerpen) ooit in Indonesië is geweest? Daar moet ik het fijne van weten, twee euro voor een stuk geschiedenis is niks. Natuurlijk is hij er nooit geweest, maar schrijvers hoeven dan ook niet fysiek te reizen om romans te verzinnen.

In 1838 publiceert Conscience (1812-1883) De Leeuw van Vlaanderen, vanaf dan tot aan zijn dood volgt een ongelooflijke productie, met o.a. in 1858 Batavia. De inspiratie en de couleur locale voor Batavia heeft hij gevonden in bij Johan Nieuhof (1618-1672), in diens Gedenkweerdige Zee- en Landreize na en door Oostindiën, uit 1682, waarnaar hij in voetnoten ook genereus verwijst: Van vele dingen in ons tegenwoordig werk hebben wij de opgaven gevolgd van dezen reiziger, die ongeveer vijftig jaar na de voorvallen, die wij verhalen, het eiland Java heeft bezocht en beschreven. Net als bij de Leeuw van Vlaanderen gaat Conscience uit van historische feiten (of zijn interpretatie ervan) en voegt er dan, bij middel van een smartelijke liefdeshistorie, een flinke dosis sentiment aan toe.

Het is niet mijn bedoeling de lezer dezes (ik krijg de stijl al wat te pakken) te overtuigen Batavia te lezen. Wel om de aandacht te vestigen op enige welhaast grappige merkwaardigheden. Conscience voert ons en zijn hoofdpersonages naar Java, hij beschrijft het landschap alsof hij er jaren heeft gewoond, het geboomte, de bevolking, in geur en kleur.

Het is 1613, op de Texelsche Kade te Amsterdam neemt een jongeling, Walter, afscheid van zijn zieke moeder: hij vertrekt naar Oost-Indië. Het kan niet anders: hij is verliefd op Aleidis, de dochter van de Hopman van de VOC in Jakarta – Walter, de kleine garnaal, geen sprake van dat haar vader hem de hand van de melkblanke Aleidis zou schenken natuurlijk. Tenzij Walter zich in Oost-Indië zo zou onderscheiden door zijn moed en dapperheid dat hij carrière maakt en het zelf tot Hopman schopt, ja dan… Ach, net als ik hebt u de romantische afloop van de zaak al begrepen op pagina 12. Maar voor het zover is zijn ontelbare tranen gestort, honderden liters bloed gevloeid, duizenden Javanen en enkele Hollanders gesneuveld, in een heftige strijd om Jakatra (ja, Jakatra, het hele boek door heeft Conscience het over Jakatra in plaats van Jakarta, er moet een fout in de spelcorrector van zijn Apple geslopen zijn). Het valt me moeilijk een keuze te maken uit de talloze citaten die ik onderstreept heb: ze geven vaak de tijdsgeest aan van het pre-politiek-correcte tijdperk, het onverholen racisme, de sociale verhoudingen. Komaan, toch maar een paar. Al om te beginnen: Walter, de kleine soldaat, neemt zowaar zijn persoonlijke slaaf, Congo (in 1613!) mee op reis, weliswaar op dringend verzoek van Congo zelf die bij zijn Meester wil blijven, maar toch. Al gauw worden Congo en zijn meester gescheiden, voor korte tijd maar, toch mist Congo hem danig. Alle dagen kijkt hij uit of zijn Meester nog niet in zicht is: De neger was bij het hooren van het schot in den kokospalm geklommen en hing, op zestig voet hoogte, als een aap aan den stam des booms. Hij insgelijks blikte met aangejaagde nieuwsgierigheid zeewaarts. Zo, dat was maar om in de stemming te komen.

Het duurt niet lang of de Javanen en de Hollanders raken in hevig conflict, die Javanen zijn de Hollanders die alleen maar komen belastingen heffen zo beu als kouwe pap. Maar de Verenigde Oostindische Compagnie laat zich niet zomaar verjagen, dat spreekt. Op bladzijde 101 gaan de poppen aan het dansen, en dat is nog maar het eerste dansje:

Welhaast echter nam de morgenklaarte merkelijk toe, en men begon alsdan de vijandelijke drommen te onderscheiden, die in de verte tusschen de stad Jakatra en de Hollandsche Factorij stonden geschaard.

Walter wreef zich in de handen van blijdschap en riep tot zijne gezellen:

“Mannen, het zal ernstig worden! Hier zullen wij gelegenheid vinden, om te toonen, dat ons nog zuiver Nederlandsch bloed door de aderen vloeit. Ik wenschte, dat wij reeds met de gele menschen aan den gang waren; mij hijgt de borst van moed en strijdlust!”

“Walter, Walter”, riep de vaandrig op begeesterden toon, “wij zullen vechten als de leeuwen voor Hollandsch eer. Laat de boel ginder maar eens in de war gaan, dan zal ik mijn vaandel te midden des vijands dragen en u allen dwingen tot wonderen van onversaagdheid!

En we zijn nog lang niet aan de hoofdbrok toe. Walter maakt stilaan carrière, bij iedere virtuele stap dichter bij zijn Aleidis (die intussen zoals een vrouw betaamt ziek van verlangen naar haar held ligt te kwijnen en verder alleen maar decor is) stromen de tranen van ontroering en dankbaarheid hem over het gelaat.

Conscience zou Conscience niet zijn als hij de lezer ook niet een vleugje cultuur zou bijbrengen. De Pangerang – de onbetrouwbare sultan van de Javanen – en de baas van de VOC gaan onderhandelen:

Recht over des vorsten zitplaats, aan de andere zijde van het vierkant, bevonden zich zijne Gamelang-spelers of muzikanten. Ze waren zeer talrijk en hadden verschillende speeltuigen; namelijk: gongs, of grootere koperen schalen en bekkens, waarop met eenen stok geslagen werd; kempoels, zijnde eene menigte kleine gongs, in een raam opgehangen; jaronbonangs, speeltuigen van koperen of bamboezen plaatjes; rebaps, of tweesnarige vedels, en tifa’s, een soort van trommels. Zo, nu weten we dat ook. Wel voegt Conscience hier een voorzichtige voetnoot bij – hij kende de gamelan alleen maar uit de boekjes, hoe zou dat nu geklonken hebben vraagt zijn lezer zich wellicht af? De eerste reizigers, en onder anderen F. Valentyn, spreken van de muziek der Javanen als van een afgrijselijk gerammel. Sir Stamford Raffles zegt integendeel, dat de Javaansche muziek, ofschoon zij wel gerucht maakt, nooit de ooren verscheurt, maar zacht van toon is, als het geluid van harmonica’s. Tja, nu weten we het nog niet.. Allen naar Java!

Kom nog eentje, het is te plezant. De Javanen hebben het opperhoofd van de VOC (de schoonvader to be van Walter) gegijzeld en proberen hem te dwingen zich over te geven en zijn troepen terug te trekken. De raadgever van de Sultan, dat heet een Panghoeloe, fluistert zijn baas een list in:

“Nog één middel kunnen wij beproeven, heer Sultan, een krachtig en schier onfeilbaar middel. Zeggen wij den Hopman, dat wij eerst zijne vrouw onder zijne oogen zullen doen vermoorden. Zulke bedreiging zal hem het hart verbrijzelen, en hij zal het verdrag teekenen; wees er zeker van.”

“Gij meent het, Panghoeloe?” morde de Sultan met ongeloof. “Wat hij om zijn eigen leven te redden niet heeft willen doen, zal hij doen uit liefde voor eene vrouw?”

“De witte menschen hebben nooit meer dan ééne vrouw, heer Sultan” antwoordde de Panghoeloe, “en zij beminnen haar al zoozeer als hunne kinderen. Doe de vrouw ter aarde rukken, doe de klewangs boven haar hoofd glinsteren, en de Christenhond zal bezwijken, geloof mij.”

Zo, het is welletjes geweest, op het eind winnen de Hollanders en Walter krijgt zijn lief. Ach ja, en Walter schenkt Congo de vrijheid – die uiteraard toch zijn meester trouw zal blijven dienen.

Waarom is dit nu zo’n merkwaardig boekje? Om twee redenen.

Twintig jaar voor Batavia schreef Conscience De Vlaamse Leeuw. Een onderdrukt volk weerde zich heldhaftig, de dappere, kleine underdog moest alles op alles zetten om de vuige Franse bezetter, bovendien danig in overtal, op de knieën te krijgen. Wat Waelsch is, valsch is, sla dood! Zevenhonderd jaar later hebben we er nog last van. Het moet, of we willen of niet, meesterlijk geschreven zijn geweest, massa’s Vlamingen hebben het gelezen, hebben er in geloofd, zijn er door geïnspireerd. De kleine man tegen de overmacht.

Maar twintig jaar later doet hij het omgekeerde: hij maakt van de bezetter de underdog, de nobele Hollander tegen de lafhartige Javaan (die ook in overtal was, maar niet tegen de wapens van de Hollanders op kon tornen). Conscience draait de sociale rollen gewoon om. Waarom? Wilde hij met zijn lofzang op de heldendaden van de VOC de Hollandse markt veroveren? Historici zullen het wel weten, ik ben benieuwd.

De tweede reden is nog merkwaardiger: Batavia verschijnt in 1858.  Nauwelijks een jaar later zit Edward Douwes Dekker onder de schuilnaam Multatuli in Brussel te schrijven aan Max Havelaar, het zal verschijnen in 1860. Hij is, anders dan Conscience, wél in Nederlands-Indië geweest, en hoe. Hebben ze elkaars boek ooit gelezen? Het kan bijna niet anders. Nog voer voor historici: ik wil weten wat Conscience over Havelaar dacht, en Dekker over Batavia.

Maar: dat alles ter zijde, afstand genomen van alle hedendaagse normen en waarden, afstand genomen van literaire vereisten (waaraan Batavia allerminst beantwoordt): ik heb me met deze smartlap rot zitten amuseren. Het is voor iets minder dan 2 euro hier te koop. ( J. Lebègue & Cie, Uitgevers – Brussel, 1912 – 268 blz.)

René Hooyberghs