Bakkeleien onder de Bodhiboom

door Tin Vankerkom

Last year, a bunch of foolish monks.
This year, worse!

De eerste dag stond in het teken van een moeilijke start. Roland, Roland Rech, neen, niet de couturier, maar onze kapitein Yuno, de grote godo Roland Yuno Rech, had tijdens de eredienst, en ook daarna, een aantal on-toe-laat-ba-re fouten gezien en een algemene slor­digheid en hij was niet van plan dit zo te laten. Het ontbijt werd afgesloten met een ser­moen van hoe de dingen behoorden te zijn, gevolgd door een waslijst aanmerkingen – zen is ook een kwestie van regels – en hij ging het niet bij woorden laten, hij eiste les res­ponsables onmiddellijk in zijn officie! Hij blafte bits, met nauwelijks verholen ergernis. Het gedrag van de Belgen – Bourgondisch, halfslachtig, ongedisciplineerd en wellicht ontuchtig – werkt hem op de zenuwen. Al jaren probeert hij ons essentie bij te brengen, maar Belgen zijn hardleers. De zomersesshin krijgt ieder jaar meer de allure van een feest: tien dagen zondag.

‘Il faut serrer les vis,’ meent onze man uit Nice.

De beboste heuvels van Maredsous stil en groen in de ochtendmist. Ruisen hun dank naar God: alweer een prachtige dag. Oude Ardense huizen, dikke muren in grijze steen, herbergen levens die wij rijk aan traditie wanen en onze gedachten dwalen naar een tijd toen wij zelf zo’n huis betrokken. Wij leefden alternatief en toch was alternatief op zich weer een traditie. De zon ver­jaagt de mist en de opkomende wolken. Het landschap baadt in het licht. Het leven was rijk toen wij leefden onder een andere zon.

Ik heb de openingssessie gemist. Met de trein naar Namur is een hele onderneming, altijd gaat er weer iets mis, en de laatste bus naar Maredsous vertrekt om kwart na vijf. Namur is een stad zonder taxi’s. Als ik de loketbediende vraag of hij misschien weet hoe in Maredsous te geraken, schalt hij door de microfoon: moet er iemand naar Maredsous of omgeving? Hebben zij plaats voor een boeddhist? Een man in een overal stapt op mij toe. Zijn familie woont in Ermeton, maar eerst moeten zij over Malonne. Aardbeien kopen. Als dat geen bezwaar is… Wij zitten met zessen in de duffe camionette. De kinderen bekijken mij met grote ogen. Yes, I am an alien from Mars. I’ve come to work from out of space. De aardbeienverkoopster komt mij ook eens monsteren, hoewel ik mijn kruin niet heb geschoren en niet rondloop in een zwarte peignoir.

‘Maredsous, olàlà, mais qu’est ce que vous faites là toute la journée? Vous priez?’

Ik vertel haar dat wij mediteren. – De kids bescheuren zich aan mijn accent. – En dat de sesshin eigenlijk een grote reünie is. Je ziet mensen terug die je in een jaar niet zag. Je kletst wat bij. Je zit in de zon. Wij lachen wat af.

‘C’est dur, tout de même,’ zegt zij en stopt mij wat aardbeien toe. Met dit alles is het duister ingevallen als ik in het Collège St.-Benoit arriveer. Ik heb mijn vaste kamer met uitzicht op de abdij. Het avondeten is al voorbij.

’Ce que nous avons mangé?’ zegt de Fransman van La Réunion die met een zen-Fillipino is getrouwd. ‘Une bête salade!’

De bar moet om half elf dicht. De bar is nog zo’n doorn in het oog van onze godo. Zen­ners drinken niet, maar schaf het drinken af en je krijgt geen enkele Belg over de vloer. Dus werd er een compromis gevonden: wij drinken water overdag en na de laatste zazen stuiven wij naar de bar die goed voorzien is van fameuze Belgische bieren, Franse wijnen en pinda’s en chips. De opbrengst gaat naar de azb, de Association Zen de Belgique, terwijl het bevoorraden en openhouden van de bar als een samu wordt gezien, een vrij­willige taak die een zenmonnik of –non zichzelf oplegt ten dienste van de sangha. Niet helemaal orthodox, but hey, this is Belgium! De bar gaat normaal om elf uur dicht, als de klepper, de monnik die bepaalt wanneer wij moeten opstaan en wanneer wij moeten sla­pen gaan, zijn ronde doet. Maar voor ons zijn de kleppers het sein dat de laatste ronde moet besteld. Sommigen voorzien zich nog snel van een koppel pinten. Sluitingstijd wordt zo met een uur of twee gerekt. Roland wil hier paal en perk aan stellen. Vanavond moet de bar om half elf dicht. Onderdrukt gemor in de rangen.
‘tis toch vakantie of wat?
‘Bij ons gaan de klein mannen om half elf nog niet naar bed.’

De Fransman uit La Réunion leidt het groepje dat in de keuken inbreekt op zoek naar eten. Per ongeluk kantelt een fles. Om alle sporen van braak te wissen, wordt de wijn scheep gemaakt. En omdat ½fles voor 7 niets voorstelt, kraken wij een tweede fles. Wij halen de kaarsjes bij het boeddhabeeld weg en steken ze aan. Wij zitten in een kring in de landelijke keuken, dansende schaduwen op de muur, te fluisteren. De brave sangha ligt al in bed, maar wij trekken er nog eens op uit, naar de melkweg. De sparren zo zwart als de nacht waarin zwarte schaduwen dansen.

‘Ahh, des chauves-souris.’

‘Flashers in the moonlight.’ Gene, uit GB – speciaal naar de retraite gekomen om bier in te slaan – legt uit dat vleermuizen helemaal behaard zijn, behalve dààr. Wat associaties oproept met strenge zenmonniken in rode onderbroek. Sommige verheven leden van de sangha lopen heel de sesshin rond in een zwarte boeddhapij. Daaronder dragen zij enkel ondergoed. Als zij dan gaan zitten in zen, zie je het rood opflitsen tussen de plooien.

’Arrêtes, arrêtes, ik kom niet meer bij,’ hikt Isabelle, ‘als ik morgen in de dojo zit en ik zie weer zo’n rooie boxershort, dan moet ik denken aan een potloodventer!’

Maar morgen valt er niets te lachen.

Het begint al met de guên mai: zonder brood. Erger nog: zonder sojasaus! Koffie zonder kaakjes. Niet te drinken. Afwaswater! Geen samu in de keuken: bad sign, ça. François, de tenzo, heeft onlangs een boek gelezen over het vereiste aantal calorieën voor iemand die aan meditatie doet: 1.200 per dag!

’Het rantsoen van een fotomodel!’

Gedurende heel de sesshin is het eten strak afgemeten. Niet meer dan twee blaadjes sla per kop. Niet meer dan één pollepel soep. Halverwege de sesshin zijn de mannen zo uit­gehongerd dat zij zich op de etensbakken storten en tegen de tijd dat die bij de vrouwen arriveren, zijn zij zo goed als leeg. (De mannen zwelgen, de vrouwen versterven.) Geluk­kig is er het toeristische centrum vlakbij en daar hebben zij kaas en brood en wijn en cho­cola. ’s Avonds, in de bar, doen wij ons te goed aan gratis chips en nootjes. De gesprek­ken draaien rond eten. Voedseltaboes. Rages in eten. Makrobiotiek!

’C’est un sacré système qui arrive à vous empoisonner! J’en connais pas mal qui ont jonglé avec leur yin et yang et ils ont terminé malades! Ils ont crevé comme des chiens!’
’Mais oui. Et ça se dit macrobiotique et ça fume comme des pétards!’

’Et toi, tu te dis zen bouddhiste et tu radotes comme une commère!’ Patrick, freeze frame voor minstens 7 uur per dag, is zichtbaar gepikeerd dat Mimi nog altijd niet heeft geleerd dat de makrobiotiek heilig is, dat wij eigenlijk geen kaas mogen eten omdat dat aan je gewrichten vreet, idem voor pinda’s en chips, en verantwoordelijk is voor zoete dromen. Tom kan ervan meespreken. Hij droomt van Twix. Een muur van Twix! Hij droomt dat hij geen muntjes heeft. Hij loopt zijn vrienden af, veroordeeld tot de bedelstaf, en nie­mand die hem iets geeft! De hebzucht van de mensen, mijnheer!
De weg naar onthechting is afgezet met Twix. En met praktische bezwaren.

Les collines boisées de Maredsous.
In this place crowded with memories of you,
I dream of you
I gazed into your eyes last nite.

‘Waarom zijn er zo weinig mooie vrouwen onder de zenboeddhisten?’ Giuseppe van de Italiaanse delegatie is ook naar Maredsous gekomen om zich met bier te bevoorraden.

’Mooie vrouwen hebben betere dingen te doen. Die kunnen zich geen tien dagen vrijma­ken wegens man en kind. En een knappe vrouw met de status van loslopend wild zit in de zomer op terrasjes, opwaaierende zomerjurken met spaghettibandjes, terwijl wij hier rondkloefen in zwarte pantoffels en een zwarte pij, one size fits all.’

’Mooie vrouwen liggen in de zomer op het strand, sippend van hun sangria, dromend boven hun stationsroman, terwijl wij hier moeten aanhoren dat ook liefde een illusie is.’
‘Het zenboeddhisme is zoals een kind dat valt en z’n knie bezeert en naar mister Pudha loopt en mister Pudha zegt: ’tis nix.’
‘Als dat zo zit, ga ik privélessen yoga nemen bij swami Kumar, volgend jaar.’
‘Swami Kumar? Zou je dat nu wel doen? Dat is yoga voor bejaarden!’
‘…’
‘Ik heb één jaar les gevolgd bij Swami Kumar & ik kon nog nix. Ben daarna naar Yoga­stad gegaan: drie weken en ik stond al op mijn kop!’
‘…’
Niet-knappe dames binden boeketjes voor de boeddha. Het resultaat is er niet naar. Vroe­ger werd er geld uitgetrokken voor de bloemist, maar dit jaar worden wij het bos inge­stuurd, met een bot keukenmes – eerst de planten bedanken dat zij tot versiering willen dienen – om onze creativiteit bot te vieren. Maar met veldbloemen is het moeilijk boeket­ten knopen. Kransen zouden misschien beter zijn. Als ik dit voorstel aan la responsable fleuriste, is zij in haar wiek geschoten. Roland heeft gezegd: des bouquets! Wie ben ik om zijn mening te herzien? Ik laat ze verder knoeien met hun paar sprieten gras, hun dot­jes klaver en 1 paardebloem. Ik pak een boek. Waar is de zon?

What is time to the trees?
One day equals a heartbeat.

Theresa komt al jaren. Heeft het tot pilier geschopt. Tijdens de zazen ziet zij erop toe dat alles naar wens verloopt, dat niemand in slaap zakt of een appelflauwte krijgt. Zoals iedereen komt zij om te vergeten.
’Van mijn eerste man kreeg ik slaag. Kon geen liefde geven. Ik kon ook geen liefde geven. Kwist begot niet hoe dat moest. En toen is dat kind gekomen, onze jongste, en hij kon het niet aan. Hij zei: ‘Mamma, waarom doen jullie zo? Zo kwaad?’ En ook: ‘Mamma, ik wil liever dood.’ Negen jaar was hij toen hij zijn fietsje nam. Hij zei: ‘Dag mam’ en hij is onder de trein gereden. De trein van kwart over twee.’

Ieder jaar doet zij mij haar verhaal. Ieder jaar storten wij samen tranen om een verdriet dat niet te helen is. Maar dit jaar bekruipt mij de twijfel. Wat is het nut van het zenboedd­hisme voor Theresa? Al jaren zit zij in de beweging en buiten haar vocabulaire (‘loslaten, hé?’) is er niets veranderd. Het verdriet is ieder jaar even vers en zo is haar schuldbesef. En ik bedenk dat mensen het woord naar de vorm aannemen en immuun zijn voor de inhoud ervan. (Zoals ik vroeger over de preek wou praten, of over de brief aan de Corinthiërs of de belijdenissen van Augustijn: ‘maar meidje toch, lees liever een Sus & Wis! Dat in de mis, dat lezen ze toch alleen maar om de tijd te doden?’)

Vormelijkheden. Tijdens deze sesshin worden ze een dril. Dagelijks moeten wij uren oefenen. Hoe wij op de vis moeten slaan – het is waar dat al dat geroffel nergens op trok. Hoe wij moeten buigen en hoe de kyosaku, de tik op de schouder met een platte stok, moet worden gegeven en ontvangen. En wij moeten sutra’s memoriseren – vroeger lazen wij ze af van een blad – maar ik heb totaal geen zin om fonetisch Japs van buiten te leren, terwijl ik geen benul heb van de taal. Ik neem mijn boek en vlucht naar de auberge saint Benoit, waar zij mij niet zullen vinden.

‘Waar ligt la Réunion?’ vraagt zij.
Zij zit er ook, op het terras van de auberge saint Benoit. Zij is een jonge beschermelinge van Theresa. Dit is haar eerste sesshin. Ik leg uit dat la Réunion een eiland is, aan de oostkant van Afrika en dat het nog altijd een soortement Frans departement is.
’Wat is een departement?’ vraag zij dan.
Ik mag haar wel. Zij zegt niet veel. Geeft vooral haar ogen de kost. Heeft heel veel moeite met het eten, als er al wat over is. Zij ontdekte de azb op het internet.
’Ik dacht: dat is iets voor mij en kwam meteen hiernaartoe.’
’En valt het mee?’
Zij maakt een grimas. Kijkt mij onderzoekend aan. Zegt dan:

’Jij hoort ook niet bij de groep, de sangha, of hoe noemen zij dat. Gisteren zei iemand tegen mij: ‘Jij maakt nu deel uit van de sangha. Jij bent één van ons…’ Zij aarzelt. ‘Maar ik wil helemaal niet horen tot een groep die ik toevallig heb gekozen!’

De Groucho Marx mop! Ik lach. Zij blijkt een eigenzinnige fotografe te zijn. Was daar­voor kleuterleidster. Over die ommezwaai wil zij nix kwijt. Ik vermoed een probleem.

Wij slaan het avondeten over. En de avondzazen. Blijven kletsen tot het tijd is voor de bar. Het is wel juli, maar ’s avonds steenkoud. Zij rilt in haar blote armen. Ik geef haar mijn jas. Later krijgt zij koude voeten. Ik leen haar één sok. De andere voet kan zij onder haar dijbeen schuiven. Ik doe hetzelfde met de mijne. Om warm te blijven drinken wij sloten wijn. Ik trakteer. Fotografen zijn nog slechter af dan vertalers. En terwijl de maan door de hemel zeilt, zegt zij mij dat zij eigenlijk aan psychoses lijdt. Nu is het mijn beurt om vragen te stellen. Zij zegt dat een psychose een waanvoorstelling is.

’Daar is nix mis mee, dat is helemaal zen.’
’Ge verstaat het niet,’ zegt zij. ‘Ik kan dan domme dingen doen.’
’Wat voor domme dingen?’
Zij vertelt hoe zij eens dacht dat zij een vogel was, een zwaan. Niet echt een zwaan, zij was ook nog mens, maar als zij tussen de zwanen zat, zou zij zwaan worden onder de zwanen. Ik ben ontroerd.

Zij zegt: ’Ik wist bij mij thuis verderop zwanen zitten. Zij zitten op een meer,’ zegt zij bloedserieus. Ik nam mijn auto, een eend, en reed ernaartoe. Maar de zwanen waren al weg. D’er liep een wandelaar en ik vroeg of hij wist waar de zwanen waren. En hij: ‘Voelt ge u wel goed?’ En ‘kent ge mij niet meer?’ Het bleek de vader van Luna te zijn, een kind in haar klas. En opeens viel het haar op hoe mooi die naam wel niet was. Luna. En dat zij ook een kind wilde dat Luna heette. En dat de vader zeer aantrekkelijk was. ‘Dat soort domme dingen, zie je?’
’D’er zijn mensen die hetzelfde voorhebben zonder psychose.’ Plots iemand zeer aan­trekkelijk vinden en dan een kind willen dat Luna heet. Of Jantien.
’Ja,’ zegt zij, ‘maar het kostte mij mijn job. Die vader was heel vriendelijk en heeft mij naar huis gebracht, maar achteraf wilde hij Luna niet meer in mijn klas. Zo is de bal aan het rollen gegaan en binnen de kortste keren wisten zij het allemaal. De school heeft mij de bons gegeven.’
’Mensen krijgen de bons ook zonder psychose. Ik vind dat prachtig, dat van die zwanen. Op heel deze week heeft niemand zo iets moois gezegd.’

Iets moois zeggen? Wapi! Nu krijgen wij ’s middags een tekst voorgeschoteld. Over de 8-voudige weg. Het klinkt als een Chinese schotel. En dinkske uit Leuven – in het gewone leven leidt hij een tuinbedrijf – moet ons de tekst verklaren. Binnen de paar alinea’s zit het er bovenhands op.
’Banale cafépraat!’
Hij trekt een pijnlijk gezicht.
’Als je een tekst wil interpreteren, moet je hem eerst kunnen plaatsen, in zijn context. Uit welke tijd dateert de tekst? Wat weten wij over de auteur? Op welke punten wijkt de boeddha van het hindoeïsme af? Waarom? Wat heeft hij tegen de Veda’s? En wat bete­kent de beeldspraak? Kortom, wat is de context? De onzin die wij hier moeten aanhoren!’

Hij zegt lam: ‘Ik wist niet dat dat van belang was. Voor mij heeft dat geen enkel belang,’ zegt hij ferm. Het woord van Boeddha is boven intellectuele prietpraat verheven. Na een uur bakkeleien bestaat de groep uit twee partijen: zij die iets kennen van tekst en zij die nooit een boek zouden kraken.

While we were in zazen
A bumble buzzed angrily against the windowpane
and the spider in its web beat a hasty retreat:
desire? Tactics? Fear?
Premeditated murder?

‘Allez, remues-toi, grosse vache!’
Aan het woord is één van onze verheven sanghaleden, een waardige monnik in vol ornaat, die heeft ontdekt dat een novice op zíjn plaats in de tempel zit. De novice springt met een kreetje recht. Haar ogen zoeken haar vriendin. De jonge garde zenboeddhistes heeft de opmerking gehoord. Zij veren eveneens recht. Pépé wordt swift omsingeld.
’C’est ainsi qu’on parle aux dames!’ krijt de vriendin.

Eén van de jonge nonnen, een blonde, een felle, het vuur van de sangha, verkoopt pépé een mep. Hij is een stuk groter dan zij, zij moet haar slag naar boven richten. Anderen komen toegesneld. Tumult in de tempel! De godo wordt erbij gehaald. De sangha staat in rep en roer: monniken tegenover nonnen. Het getier vliegt over en weer. D’er komt een mondo van: een vraag- en antwoordsessie waarin ieder zijn zeg mag doen. De dames eisen een excuus. Pépé op de knieën, vergiffenis vragend aan de sangha, aan boeddha en aan de nonnen in het bijzonder. Een schorsing wordt overwogen. Een gepaste straf. De vrouwen willen pépé liefst van zijn vodden ontdoen, hem stropen tot op zijn rooie onder­broek, alvorens hem naar huis te sturen. Roland wijst erop dat het zenboeddhisme eigen­lijk een mannenpalaver is. Vrouwen worden gedoogd, maar moeten hun plaats kennen. Die plaats is er een van nederigheid, van mededogen. Het geeft geen pas andere sanghaleden aan te spreken met vache, maar fysiek geweld is helemaal uit den boze. Roland zal ‘ns nagaan welke straffen er staan op het plegen van geweld.

Gerechtigheid! Wat moeten wij met onze gerechtigheid in een systeem van karma? Koen, – ‘my name is Luca’ – een donkere jongen met donkere ogen en gitzwart haar werpt op dat onze gerechtigheid die van de wereld van het maya is. En in de wereld van het maya staat alles op zijn kop en wij vergeten dat de booswicht, met al zijn streken, toch ook iets goeds heeft gedaan.
’Euh?’
De boze, ook al wordt hij gestraft, kan nooit meer terug naar zijn oorspronkelijke staat van zuiverheid, terwijl het slachtoffer misschien net door het ingrijpen van de boze, op die weg volhardt. Zo schuilt er goed in alle kwaad. En kwaad in alle goed. Dat is de wereldse gerechtigheid. Maar daartegenover staat … the justice of the world, de gerech­tigheid van de wereld. De omstaanders zijn niet mee. Wat is in hemelsnaam de gerechtig­heid van de wereld? En is dat wel boeddhistisch? Koen weet ook niet hoe hij het verder uitleggen moet. Het is zoiets als… ultieme gerechtigheid. Het is een systeem. Het maakt alle kwaad weer goed.

’Het werkt met gele bloemen,’ zegt hij nog.

Theresa knikt, met geloken ogen. Begint dan stilletjes te huilen. Annemie, psychologe, neemt mij apart. Fluistert dat Koen incestslachtoffer is. Vandaar zijn bezetenheid met zui­verheid. Vandaar my name is Luca, denk ik. Maar ik hou van Koens visie van ‘de wereld maakt alles goed. Als je zondig hebt geleefd, is er ergens een systeem dat al het kwade recycleert en verwerkt tot gele bloemen’. D’er is hier vlakbij een wei vol uitbundige boterbloemen. Misschien dat die bloemen een incarnatie zijn van al de dingen die wij mispeuterden. Al de pinten die wij hebben gelicht, al de querelles die wij hebben gesticht toen wij ons hartstochtelijk overgaven aan de dualiteit.

Na het tempeest in de tempel keert het tij. Koen brengt mij een kaart met een Japanse moerbeiboom in volle bloei.
‘Mooi, hé?’
Ik neem hem mee naar de boterbloemenwei. Hij zakt op zijn hurken en begint te snikken. Ik laat hem alleen. Just don’t ask me what it is. Er wordt heel wat gesnikt op deze ses­shin. Roos, in haar shiatsudemonstratie, valt op een vrijwilliger die na een onschuldige schoudermassage in tranen uitbarst.

‘Om het leed in de wereld. En dat het eigenlijk allemaal toch zo simpel kan.’

De shiatsules wordt met een dag uitgesteld. Lopend door de gangen van het college Saint-Benoit hoor je onderdrukt gesnik achter gesloten deuren. Buiten, op zoek naar een rustige plek, stoot je op een ander sanghalid, bijtend op een zakdoek. Overal vloeien er tranen. Ik ga dan maar naar Alba die alleen zit in haar kennel.

Dog Alba & I
She, encased in a kennel
Me, in reality

Hoewel het niet mag, laat ik het beest los. In het oude kolenhok vind ik een stuk touw dat ik als leiband kan gebruiken en samen trekken wij op pad, eerst naar het toeristische cen­trum waar ik kaas koop, voor Alba, voor onderweg, en dan naar Madredet waar vroeger de kunstzinnige nonnen zaten in een abdij apart. Wij rennen door rechte, lommerrijke lanen, rollen door de boterbloemenwei, sluipen door een bos vol berkenbomen en rusten uit. Een eekhoorn komt nieuwsgierig kijken, half verdoken achter een stam.

Birches bear on their barks
the Scriptures of Eternity

In Madredet bij de kerk zitten wij bij de vroegere wasplaats. Alba spettert in het water. Van alle sanghaleden is zij veruit de vrolijkste, misschien de meest verlichte. Een pick-up stopt. ‘Of hij ons kan afzetten in Maredsous?’ Wij springen in de laadbak. Hoppen er weer af aan het station waar ik Alba vergast op een terras en een bolletje ijs. Zen is ook een les in simpele geneugten.