Recensie: Slachtvlinders

PeterDeVoecht van Peter De Voecht

Peter De Voecht maakt het zichzelf en de lezer met deze debuutroman niet gemakkelijk. De staccato zinsbouw waarvan hij zich in Slachtvlinders bedient slaat de lezer vlak in het gelaat met het pulserende geweld van de laserbeams op Tomorrowland. De taal is zo gebald, zo geknakt, dat de auteur soms beroep moet doen op nieuwe woorden, samenstellingen van gevoelens in één woord samengeknepen. Zodat je plots op begrippen stuit als het woord ‘gisterhanden’. Toch weet je wat er bedoeld wordt, wees gerust, je leert lezen in deze nieuwe taal die nauwelijks ademruimte laat. Hijgend en puffend bereik je soms het einde van een paragraaf, ik moest wel eens een pagina herlezen om weer bij het peloton woorden dat zich al de volgende helling op spoedde te kunnen aansluiten. Geduld dus, bij het lezen van Slachtvlinders, slechts met de lichtheid van vlinderslagen ontsluiert de auteur de intimiteit van deze merkwaardige roman. Daarbij, en ik weeg mijn woorden, speelt hij frivool met die sluiers, door woordspelletjes met namen van zijn personages, om maar iets te noemen – achter elke naam schuilt wel een zingeving, een vingerwijzing.

The other city, de andere stad: in Slachtvlinders lijkt ze erg op een somber toekomstbeeld van Antwerpen: verloederd, verslijkt, vervallen. Slachtoffer van teloorgegane industrie, verwaarlozing, ecologische rampspoed. Een dystopisch toekomstbeeld waarin enkel een ziekenhuis nog een vorm van zuiverheid oproept: de stad is verkankerd, constante regen en afvalwater lopen weg in de ‘teer’ van de ondergrond. Straatbendes zwerven door de avond, door wat overblijft van de werkloze haven, van de industrie, overvallen winkeliers en, waarom niet, onschuldige voorbijgangers, weerloze ouderen, uit onmacht, zinloze woede op alles wat beweegt. Het geweld doet denken aan het geweld uit A Clockwork Orange van Kubrick, bijna hoor je op de achtergrond die dronkenlap het lied zingen van Molly Malone,  Cockles and Mussels, alive aliva ooooooh, net voor hij in elkaar geklopt wordt.

Twee mannelijke hoofdpersonen lossen elkaar af: de eerste is de misantropische schrijver Döppeler, zichzelf van zijn vrouw Viola en de wereld afsluitend op zijn appartement, tevergeefs werkend aan een nieuwe roman, zichzelf kanker aanpratend (of heeft hij kanker?). Het conflict dat hij met Viola, net als met zijn ‘maitresse’ Echo (echo van Viola?), met zijn vriend William steeds opnieuw opzoekt is een excuus om zichzelf gehaat te maken, zodat het afscheid dat hij van hen zal moeten nemen wegens zijn al dan niet vermeende kanker hen niet al te zwaar zal vallen, zijn haat is een vorm van liefde, een liefde die in Slachtvlinders op een prachtige, lyrische manier dan weer in volzinnen wordt beschreven, teder zoals aan het eind van de roman wanneer Döppeler zich in bed warm tegen de rug van de slapende Viola aanschurkt. We hebben dan, ik zei het al, Peter De Voecht geeft zijn informatie mondjesmaat prijs, ook de voornaam van Döppeler ontdekt, maar nu loop ik op de zaken vooruit – en wil de plot niet verraden.

De tweede mannelijke hoofdpersoon krijgt geen volle naam, hij heet E., hij is de wilde stadszwerver, nagenoeg dakloos, geweldenaar en slachtoffer van geweld, met de merkwaardige vriendschap voor de jongere man Dennis, zijn kompaan in geweld, zijn maatje ook als hij zijn zusje Ellis gaat bezoeken in dat cleane ziekenhuis: ook zij ontsnapt in deze Bedorven Stad niet aan kanker. De avonturen van E. en Döppeler lopen door elkaar heen, passen moeizaam in elkaar, althans in het eerste deel van de roman. Want Slachtvlinders is – denk aan een vlinder – mooi in twee helften opgedeeld, symmetrisch bijna perfect. Als de vlinder de vleugels sluit passen de tekeningen geraffineerd op elkaar, Peter heeft dat erg fijn gedaan. En in dat tweede gedeelte begint het de lezer te dagen, passen al die kleurenvlekken die zinloos naast elkaar lijken te staan in de linkervleugel precies bij de rechtervleugel, kan de lezer herademen, gelukkig worden omdat hij de oplossing tot het raadsel heeft vermoed. En zo heb ik veel verteld en het geheim van Slachtvlinders niet prijsgegeven.

Slachtvlinders is een roman waaraan, dat merk je aan iedere zin (al bevat hij vaak maar één woord) hard is gewerkt, gewroet, gevijld en geslepen. De woorden mogen dan lukraak op het blad gesmeten lijken, ik geloof nooit dat ze dat zijn. Hier is woord voor woord aan gezwoegd, met het geduld van een Koreaans taekwondomeester. Slachtvlinders is een overdacht intelligent werkstuk, een ijzersterk debuut. Wees een geduldig lezer, werk je hijgend door de linkervleugel: in de rechtervleugel zijn de rust en de oplossing te vinden. (In de Knipscheer, 2015 – 227 blz. – foto Els Vanopstal)
René Hooyberghs