Recensie: The Queen of the Night

van Alexander Chee

Een roman met als titel De Koningin van de Nacht, moeilijk te weerstaan voor een operaliefhebber. Een merkwaardige eerste paragraaf, waarin de ik-vertelster zich voorstelt: het is 1882, de plaats is het Palais du Luxembourg in Parijs. I was the soprano. I was Lilliet Berne. Goed zo: I was Lilliet Berne, maar wie is ze nu dan? De nieuwsgierigheid is gewekt: het winkelmandje in en meteen maar verder lezen. Dat ze een ster was blijkt al uit de tweede paragraaf, een echte prima donna, hoe ze haar kledij voor dat galabal beschrijft (het is le bal du Sénat, ze zal er als cadeau voor de toegestroomde upper class van Parijs een aria uit Faust van Gounod komen zingen, ze speelt momenteel de rol van Marguerite): The dress was a Worth creation of pink taffeta and gold silk, three pink flounces that belled out from a bodice embroidered in a pattern of gold wings. A net of gold-ribbon bows covered the skirt and held the flounces up at the hem. The fichu seemed to clasp me from behind as if alive.  Lieve help! Een bodice kan ik me nog voorstellen, maar wat is een fichu, wat is een flounce? Zal dat zo doorgaan?

Nee hoor, al gauw begint de vertelster aan een reusachtige flash back, aan het eind van de roman zullen we begrijpen waarom. Lilliet Berne, zo blijkt al gauw, had haar naam letterlijk gestolen. Kind van arme immigrantenboertjes in Minnesota, een Zwitserse moeder en een Schotse vader, bittere armoede, diepgelovige mensen, op het randje van de godsdienstwaanzin, vooral de moeder. Een natuurramp, een ziekte die een heel gebied met uitsterven bedreigt. De dochter ziet haar ouders, haar broer omkomen, ze is nauwelijks een tiener. Wel een tomboy, een behendig ruiter, een allesdurver. Ze moet alleen zien te overleven en ziet maar één uitweg: proberen naar Europa te komen, naar Zwitserland, daar de haar onbekende familie van haar moeder proberen te vinden – waarover ze alleen maar weet dat ze in Luzern wonen. Honger en ellende en uiteraard seksueel misbruik zijn haar deel, tot ze als bij wonder hieraan kan ontsnappen en bij een circustroep terechtkan als équestrienne. De troep vertrekt naar Parijs, Napoleon III wil voor de wereldtentoonstelling van 1867 zijn onderdanen charmeren met dingen uit de exotische Nieuwe Wereld.

Keizer en keizerin wonen de show van de Cajun Maidens and the Wonders of the Canadian Frontier bij, ze zijn zo zeer onder de indruk van de rijkunst van de nu zestienjarige Lilliet Berne (ze heeft de naam gestolen, gevonden op de grafzerk van een leeftijdsgenote) dat de keizer haar als appreciatie een juweel schenkt. Het zou het begin van een sprookje kunnen zijn, want buiten haar rijtalent heeft Lilliet nog een buitengewone gave: een hemels mooie zangstem, weliswaar ongeschoold en ongepolijst, maar direct als uitzonderlijk herkenbaar. Helaas, het sprookje laat nog even op zich wachten. Het is bijna een cliché, maar Lilliet komt, nadat ze het circus ontvlucht en noodgedwongen zelfstandig als prostituee aan de slag moet, in een bordeel terecht – zij het een bordeel van hoge klasse, een vijfsterrenbordeel zeg maar. Ze sluit er met een collega de bijna even clichématige eeuwige vriendschap, er wordt een bijna comfortabel leventje geleid, bordeelbezoek is voor de hogere kringen een acceptabel tijdverdrijf. Waarbij je ook interessante mannen leert kennen. Zo ontmoet Lilliet haar tenor, een vedette van Duitse origine, een wereldster die in de hoogste kringen vertoeft. Hij weet haar vrij te kopen, maar wat is vrijheid? Ze is nu zijn eigendom. Niet dat hij haar laat verkommeren, in tegendeel, zijn liefde voor haar is – zij het van de egoïstische soort – vrijwel grenzeloos, niets is hem teveel. Dat zij – dat vergat ik te zeggen – nooit spreekt, en haar stem alleen gebruikt om te zingen, dat neemt zo’n man er graag bij. Zoals zij er zijn talloze maîtresses moet bijnemen, het zijn frivole tijden. En vooral, dat zij zijn eigendom, zijn bezit blijft.

Maar Lilliet wil vrij zijn, ontsnappen, ondanks alle mogelijkheden op professioneel vlak die haar tenor haar aanbiedt: zanglessen bij de beste leraars, inclusief hijzelf, als courtisane een luxeleventje leidend. Toplessen bij dé zanglerares van het ogenblik, in Baden-Baden. En ja hoor, het lukt allemaal, Lilliet als prima donna, kind aan huis bij de Verdi’s als ze in hun appartement in Parijs zijn, het is wachten – voor de hele haute société van Parijs, op dé gebeurtenis: haar tenor en zij samen in Un ballo in maschera, in Parijs, er wordt volop aan de Opéra Garnier gebouwd. Verdi biedt haar zelfs de hoofdrol aan in een nieuwe opera waaraan hij nog werkt, een enorme eer voor een zangeres, het lanceren van een opera, I Masnadieri. Maar steeds weer is er die drang om aan de klauwen van de tenor te ontsnappen, zijn liefde beantwoorden kan Lilliet niet. Dus wachten haar opnieuw ellende, maar ze weet zich te herpakken: ze raakt aan een baantje als kleedster van de keizerin, weer wordt de lezer geconfronteerd met alle geheimen van de haute couture van het eind van de negentiende eeuw, de dames die zich drie, vier maal per dag moeten (laten) omkleden en coifferen, plus bijhorende juwelen uitzoeken, rijk én vrouw zijn tegelijk, het is zwaar werk. Ook de keizerin heeft haar geheimen, en geheimen zijn altijd minnaars en minnaressen natuurlijk – maar hoe geheim zijn ze eigenlijk in dit besloten wereldje waar iedereen iedereen kent en alles over iedereen lijkt te weten.

Opnieuw werkt Lilliet zich uit de ellende terug op naar de hoogste kringen, opnieuw ervaart ze succes na succes, haar stem, haar Fach, zoals het in het jargon heet, dat van de valk, de sopraanvariant tussen sopraan en mezzosopraan,  genoemd naar de Franse sopraan Cornélie Falcon. De valk is een kwetsbare stem, net geen soprano drammatico à la Wagner, net niet zo sterk – de eeuwige vrees van iedere zanger, vooral van de kwetsbare valk, is het stemverlies, een donkere wolk die ook boven deze roman zweeft: zo creëert Lilliet zelf de mythe dat ze nooit spreekt om haar stem te sparen voor de ogenblikken waarop ze zingt. Wat haar – ze hangt tenslotte van leugens en bedrog over haar afkomst en bordeelverleden aan elkaar – uitstekend past, ze heeft ruim de bedenktijd om een antwoord op een directe vraag neer te kribbelen.

Als liefde de enige uitweg uit de ellende is, dan is liefde vaak ook de aanzet van nog meer rampspoed, zoals iedere operaliefhebber weet. En zoals operaliefhebbers ook weten is het meestal de sopraan die aan het eind van de rit stervend neerzijgt, of verbannen wordt, of anderszins dramatisch op het slotakkoord en het applaus moet wachten. Ook Lilliet ontdekt de ware liefde, dus de onmogelijk lijkende liefde, een onbekende componist die voor haar een opera zal schrijven maar zelf niet vrij is, die voor haar zijn beschermvrouw moet bedriegen en verlaten. Alles heeft ze voor haar geliefde over, zoals dat in een opera past: het thema “ik ben liever ongelukkig met een ander dan jou te zien sterven” is niet van de lucht, en het is wederzijds. Zo stevenen de twee geliefden op elkaars onvermijdelijke ondergang af, een roemloos einde staat hen te wachten.

En wat nu te denken over deze merkwaardige roman? Ik blaas een beetje warm en koud. Alle lof voor de overtuigende research die Alexander Chee aan zijn roman heeft besteed, hij geeft er zelf met zijn historische nota’s wat duiding aan. Heel losweg is zijn verhaal geïnspireerd op dat van de Zweedse operazangeres Jenny Lind (“de Cher van de negentiende eeuw”). Maar Chee’s fantasie is grenzeloos, de confrontaties van zijn verzonnen personages met geschiedkundige feiten (de bezetting en uithongering van Parijs tijdens de Pruisisch-Franse oorlog rond 1870 is weergaloos sterk beschreven) zijn verbazend knap, vooral de Verdi’s komen er knap uit tevoorschijn. De enorme weelde van de haut monde, de ellende van de 99% anderen, we mopperen er dezer dagen ook over, maar wat zijn we een eind opgeschoten. De bloederige opstanden in Parijs en elders in Frankrijk, bij de val van Napoleon III en de installatie van de Derde Republiek, knap, en hoe Lilliet daartussen zweeft en zich weet te handhaven. Soms zo enorm knap dat – en hier komt het koud blazen – zij soms op een soort Barones von Münchhausen gaat lijken, haar verhaal – ze vertelt het tenslotte zelf – ongeloofwaardig dreigt te worden. En dan is er ook nog iets met de taal van de Amerikaan Alexander Chee dat me stoort: zijn zinnen komen vaak verhakkeld over, ik denk dat hij probeert een soort begrijpelijk negentiende-eeuws Engels te schrijven, ik kan het niet duiden, maar het lijkt me soms schots en scheef Engels. Hij zal wel beter weten, maar vaak moest ik een zin herlezen, leken de woorden niet juist op hun plaats te staan.

Het warm blazen overheerst, omwille van de historische achtergronden, de voor een leek muzikale inzichten, vooral als het om die zanglessen van Lilliet gaat, het kostuumdrama dat zich voor ons afspeelt, het verhaal zelf, ingewikkeld en vol intriges zoals het een operalibretto betaamt. Daar blijf ik bij: een prachtig kostuumdrama, waaraan niet alleen operaliefhebbers veel plezier kunnen beleven. En zingt ze uiteindelijk de aria van de Koningin van de Nacht (hoewel dat nét buiten haar Fach ligt)? Ja, natuurlijk wel. Welke diva de naam waardig zou die rol kunnen laten liggen?

Zie ook: www.thequeenofthenight.com

(Michael Joseph, 2016 – 553 blz. plus historische nota’s)

René Hooyberghs