Recensie: The Noise of Time

The Noise of Time van Julian Barnes

Julian Barnes haalt een acrobatische toer uit met zijn recentste roman: dansen op het slappe koord. Het slappe koord is dat zo gevaarlijke literaire genre, de historische roman. Laatst brak nog A.F.Th. Van der Heijden zijn nek door van het slappe koord te tuimelen, met zijn Ochtendgave over het Beleg (door Frankrijk) en de Bevrijding van Nijmegen. Is Julian Barnes met zijn historische/biografische roman over Dmitri Sjostakovitsj acrobatischer?

Natuurlijk wel, voorzichtiger ook. Hij laat zich niet tot gefingeerde dialogen verleiden (dat éne, tragi-hilarische telefoongesprek tussen Stalin en Sjostakovitsj is zo welbekend dat hij eigenlijk niet hoefde te fantaseren). Hij maakt van zijn roman ook geen verzonnen autobiografie, geen opsomming van door wat literair gefrazel aan elkaar gelijmde historische feiten. Het is – in acht genomen de onvoorstelbaar omvangrijke stapel documentatie die over zijn onderwerp al bijeen geschreven is – ook een, althans in omvang, bescheiden boekje geworden.

Het werd een pointillistisch geschilderd portret, nee, dat ook niet, een Rik Wouters-achtig portret. Niet met de grove borstel, met tedere likken verf in plaats van stoere stroken. Sombere kleuren dat wel, maar heel nu en dan een guitige streep lentegroen of vrieskoublauw. De sneeuw nooit maagdelijk wit maar versausd in het drabbige bruin van industriële vijfjarenplannen. Of stukgereden door tanks en ander legertuig. Nagenoeg alle personages verminkt, fysisch of psychisch. Fysisch door die onbeschrijflijke Tweede Wereldoorlog, psychisch door de tirannie die eruit voortvloeide.

Julian Barnes  slaagt dus als romancier: hij komt niet met nieuwe feiten aanzetten, hij heeft geen geheimen ontdekt, geeft in een nawoord ook gul zijn bronnen prijs – wie de historische toedracht wil weten moet daar maar gaan lezen. The Noise of Time is een impressionistische roman, Julian Barnes schrijft neer wat hij vermoedt dat in de ziel van Sjostakovitsj moet zijn omgegaan, daar zit natuurlijk een vorm van speculatie in, maar, gezien al wat we weten, toch wel veilige speculatie. Het is dan kwestie het onder woorden te brengen, het is kwestie van vakmanschap en inleven. Twee eigenschappen die aan Julian Barnes ruimschoots zijn toevertrouwd. Hij heeft, kortom, literatuur geschreven.

Het boek is ingedeeld in korte alinea’s, dat bedoel ik met die strepen à la Rik Wouters, die een gevoel, een tijdsgeest weergeven, zoals hier, op pagina 11 waar het gaat over de voornamen van Dmitri: voornamen in Rusland zijn belangrijk, de tweede voornaam is de voornaam van de vader, zo spreken Russen elkaar aan. Zijn ouders hadden het voornemen hem Yaroslav te noemen, zodat zijn volle naam Yaroslav Dmitrievitsj Sjostakovitsj zou worden, want zijn vaders eerste voornaam was Dmitri. Nee, daar wou de priester niets van weten, Yaroslav, belachelijk. Liever Dmitri. Dus twee keer Dmitri: Dmitri Dmitrievitsj. Ook belachelijk, maar niet voor de bazige doper. Ja, zegt Julian Barnes daarop: What did a name matter? (Barnes’ versie van What’s in a name, maar daar was Shakespeare al mee gaan lopen). He had been born in St Petersburg, started growing up in Petrograd, finished growing up in Leningrad. Or St Leningsburg, as he sometimes liked to call it. What did a name matter? Kijk, dat is zo’n streepje lentegroen in het fauvistische portret dat hier van Sjostakovitsj geschilderd wordt, veel groener wordt het niet, veel grappiger ook niet. De componist moest in zijn leven de humor zelf blijven zoeken, vond die dan ook meestal op de bodem van een fles. Iedere Rus heeft redenen om te drinken, bij de hectoliter, maar kunstenaars onder Stalin wellicht het meest. Wat hen – totaal onterecht – nog heden, vooral in het Westen, zo’n aura van romantiek geeft, van vie bohème. Nee, er is een verschil tussen wodka uit schrik en goedkope rode wijn uit armoe op een zolderkamer in Parijs.

En zo gaat Julian Barnes door, paragraaf na paragraaf, zodat het lezen ervan gaat lijken op het luisteren naar Sjostakovitsj zelf, zijn symfonieën, zijn kamermuziek: soms het overweldigend Russische, de tragiek. Soms het benauwend kleine, het dissonante, het huiligere bijna. (Nooit vergeet ik een concert in een tramremise in Krakau, juni 2015, door het Cracovia Sinfonietta met als gastviolist de Russisch/Amerikaan Vadim Glutzman, een kwartet van Sjostakovitsj omgezet voor orkest, de zaal vol verstilde, ontroerde Polen met zichtbare herinneringen aan de dictatuur). Het gaat veel over liefde, want de componist deelde zijn liefde vrijelijk met vele vrouwen, zoals toen ook wel een beetje mode was. Liefde voor zijn kinderen: als hij – zoals vele andere kunstenaars – iedere nacht (ze kwamen altijd ’s nachts, met die zwarte dienstwagens) de klop op de deur verwacht, de KGB die hem komt halen, wil hij niet dat vrouw en dochter dat ogenblik moeten meemaken. Nee, hij slaapt voor de deur van zijn appartement, buiten in het halletje, het reiskoffertje met wat ondergoed en kledij en drie pakjes sigaretten (van het juiste merk, er was een merk van de verdrukten en een merk van de verdrukkers). Maar de KGB komt niet, hij krijgt een beleefd bericht en wordt verzocht zich te melden: even erg. Na de ondervraging (een uitnodiging tot verraad van zijn vrienden waar hij nogal onhandig omheen danst) volgt een tweede uitnodiging, voor maandagochtend. Slapeloze nachten, maandagochtend meldt hij zich: de ondervrager blijkt ‘niet te bestaan’, was zelf opgepakt. Het leven onder Stalin. Of, zoals Barnes het noemt, het leven ‘under the Power’, de naamloze, onverbiddelijke, onvatbare Macht.

Het succes van zijn opera Lady Macbeth uit het district Mtsensk, het verbod tot uitvoering ervan na een hoofdartikel in de Pravda dat enkel van Stalin zelf kan komen en de opera ‘aanmodderen in plaats van muziek’ noemt. De rehabilitatie door Stalin zelf (dat tragi-hilarische telefoongesprek). Art is the whisper of history, heard above the noise of time, het is die overtuiging die de kunstenaars rechthoudt, of toch min of meer. Want de voor hem grootste componist van de eeuw, Stravinsky, heeft de benen genomen, en lang hij niet alleen. Dmitri Dmitrievitsj blijft en betaalt er de prijs voor: het gebukt gaan onder de tirannie van de Vakbond der Componisten, zijn gedwongen groepsreis naar de Verenigde Staten, zijn vliegangst. Het steeds maar erger wordende pessimisme van de kunstenaar, terwijl de ‘kunstenaarsvakbonden’ net optimistische muziek, literatuur, schilderkunst willen zien. De oorlog natuurlijk, en de ellende in Leningrad en Moskou. De bezoekers uit het Westen die maar niet (wilden) begrijpen wat zich in de Sovjetunie afspeelde. Sartre voorop, Malraux, Feuchtwanger, Shaw. Hij haatte Shaw nog het meest: Hunger in Russia? he had asked theoretically. Nonsense, I’ve been fed as well as anywhere in the world. And so the credilous fool hobnobbed with Stalin and saw nothing. Ze hadden hem verplicht de partituur van zijn Zevende Symfonie naar Shaw te sturen: het speet hem dat hij niet het aantal boeren die van honger waren gestorven terwijl Shaw met de nomenclatura zat te schransen bij zijn handtekening had gezet.

Hoe hij verplicht wordt lid van de partij te worden, hoe hij, hoe kon hij ook anders, toegeeft. En naar de fles blijft grijpen. Vanaf dan is alle weerstand niet alleen nutteloos, maar levensgevaarlijk geworden. Hij krijgt post: artikels die voor hem worden geschreven hoeft hij enkel maar te ondertekenen, machteloos tekent hij, wellicht met de fles in de linkerhand terwijl de rechter de handtekening zet. Veroordeelt desnoods zijn eigen ‘fouten’. De krantenartikels onder zijn naam worden speeches, hij spreekt ze uit – rekent erop dat zijn vrienden, zijn collega’s, weten dat het niet Sjostakovitsj zelf is die daar spreekt, maar een papegaai. Tenminste dat hoopt hij, weten doe je niets.

De val van Stalin, de ‘verlichting’ onder de maïsboer Nikita Chroesjtsjov. Maar de componistenvakbond blijft bestaan. Het merkwaardige is dat hij bleef leven, bleef componeren, onstuitbaar. Op de partituren van zijn laatste strijkkwartetten verschijnt de aanwijzing ‘morendo’, ‘stervend’, of ‘alsof ik sterf’.

The Noise of Time, in de Nederlandse versie Het rumoer van de tijd, maak het verplichte literatuur op school. Zodat over wie moet leven in de nieuwe dictaturen niet lichtvaardig geoordeeld wordt. Lees hoe wrang een glas wodka kan smaken, hoe dof de klank van twee elkaar aanstotende glazen kan zijn. (Jonathan Cape, 2016 – 180 blz.)

René Hooyberghs