Recensie: De zwarte brug

De zwarte brug van Erik Vlaminck

Neem eens even afstand van het idee dat ‘groot’ goed zou zijn, en ‘klein’ dus minder goed. Zou je dan, en waarom niet, van ‘de kleine Vlaamse roman’ kunnen gewagen, naar analogie met ‘the great American novel’?  Klein heeft dan niets met kwaliteit te maken, maar gewoon met het minder universeel bekend zijn van het lokale gebeuren. Want kijk welke personages we allemaal vinden in wat als The Great American Novel wordt beschouwd: met uitzondering van The Great Gatsby heel vaak klein, volks volk, vaak in quasi dialect beschreven: Uncle Tom en Tom Sawyer in de negentiende eeuw; in de twintigste dan auteurs als William Faulkner (vier keer, met zijn koeterwaals uit Dixie!),  John Steinbeck met zijn uitgehongerde druivenplukkers, Salinger met Catcher in the Rye, Augie March van Saul Bellow, de crazy piloten uit Catch 22 van Joseph Heller, de moordenaars van Truman Capotes In Cold Blood, de sukkelaars uit Beloved van Toni Morrison, de GI’s van Kurt Vonneguts Slaughterhouse-Five, de bohemiens uit J R van William Gaddis, om maar een paar favorieten te noemen.

Wie zouden we dan zoal klasseren bij de Kleine Vlaamse Roman, met klein in de zin van: met kleine horizon, rond de kerktoren of het Volkshuis. Maar toch: over de grote thema’s, de grote frustraties, de grote liefde, de grote verbittering, de grote wanhoop. Wie? Streuvels en Walschap, Boon en Pleysier, er schieten er u vast nog te binnen. Zouden we er eens ook niet Erik Vlaminck gaan herbergen? Nu hij met De Zwarte Brug weer bij een Vlaamse uitgever zit mag zijn Vlaams weer Vlaams klinken (misschien zou Suikerspin er wel gewoon Barbe à papa hebben geheten). Wie Vlaminck ooit uit zijn werk heeft horen voorlezen heeft het nog gemakkelijker: al bij de eerste paragraaf uit De Zwarte Brug hoor je hem vertellen, vertellen is zijn dada. De hoofdpersoon is in de eerste paragraaf nog kind, hij ligt in bed, buiten woedt de storm van februari 1953, we zijn in Lillo. ‘Het is moeilijk om de slaap te vatten. Wanneer dat uiteindelijk toch lukt sluipen de ratel van de regen op het vensterglas en het klepperen van de dakplaten die op de koterij achter de achterkeuken liggen zijn angstige dromen binnen.’ Dat is toch pure Faulkner, die dakplaten op de koterij achter de achterkeuken? Die dubbele ‘achter’, achter wat al achter is komt nog een achter, dat is het ‘m. Doorheen de hele roman klinkt zo de stem van Erik Vlaminck, hij schrijft zoals hij leest, met ingetoomde passie.

We kennen zo onderhand het volk dat de auteur beroert, maar in een Nawoord vertelt hij deze keer waar hij de figuur van Leo heeft ontmoet – of toch wat hij over de figuur die hij in café ’t Mestputteke heeft ontmoet heeft verzonnen. En gaat hij putten uit zijn reservoir van geliefkoosde personages: verre familie in Canada, foorkramers, patiënten in de instelling in Duffel (waar hij ooit zelf werkte), zijn geliefde Roger van de Velde, de auteur van Knetterende Schedels. Bart De Wever hoort er vanaf nu ook bij.

Leo Lenaerts dus, zevende zoon van een gezin uit Lillo, genoemd naar zijn peter, Koning Leopold. Klein volk, grote zorgen. De oorlog, met zeven zonen en een dochter (Leo is in 1945 geboren, dus toch nog een beetje oorlog). De overstroming van 1953, alles onder water. De onteigeningen (diefstal) van Lillo, voor en door de haven, de decennialange doodstrijd van een dorp. Hoe Leo daar opgroeit, buitenbeentje dat boeken wil lezen. Naar school gaat, vertroeteld wordt door grote zus, voor half aanzien door vader, gepest door zijn broers en nagenoeg iedereen behalve door Modest, een kermiskind. Hoe de broers evolueren: een malafide wielrenner, een supermarkteneigenaar, een werkman, een oorlogsinvalide. Hoe Leo een schrijver wordt: van lezersbrieven naar de krant. Het leven van Leo, tot en met 2015, in al zijn grote kleinheid.

De Kleine Vlaamse Roman: hoe ver staat Leo Lenaerts van zeg maar Tom Joad uit The Grapes of Wrath? Die dakplaten op de koterij achter de achterkeuken, ik krijg er maar niet genoeg van. Of van dialogen als deze: ‘En valt het mee op de bibliotheekschool?’ ‘Niet echt.’ ‘Hoe komt het?’ ‘Ik was er niet op voorzien dat boeken kaften het belangrijkste is wat een bibliothecaris moet kunnen.’

(Uitgeverij Vrijdag, 2016 – 287 blz.)

René Hooyberghs