#BrusselsAttacks: KRAS – Peter De Voecht

Hij wordt wakker en vandaag is zoals elke andere dinsdag. Prut uit z’n ogen, z’n lange smalle lijf uitrekken en z’n spieren laten ademen. Z’n kop vol dikke leegte van te veel dromen, die misschien ooit echt zullen worden. Hij spoelt de slaap uit z’n gezicht met koud kraanwater in de badkamer.

Soms duurt het een halve dag voor hij z’n gsm opzet, nu doet hij het meteen, omdat hij bericht van iemand verwacht, een vriend had gisteren een date en daar wil hij de details nu al van weten. Z’n oude toestel zonder batterijklepje kwettert een vrolijk deuntje, opgewekt over het ontvangen bericht.

“Ik ben veilig, geen zorgen.” Zegt het bericht. Waarop hij meteen de laptop opent. Waarop hij meteen leest over de aanslag, en de aanslagen die erop volgen, live, terwijl hij achter z’n scherm zit. Hij wil kwaad zijn op de realiteit zoals die is. Hij wil kwaad zijn op zichzelf omdat zijn razernij omgekeerd evenredig is met het aantal kilometers tussen hemzelf en wat ondertussen bijna dagelijks lijkt te gebeuren.

En het verwarrendste is misschien nog dat hij niet eens iemand kent die erbij betrokken was, dat niet alleen zijn woede gericht is op onbekenden, maar ook zijn verdriet.

Zijn vriendin ziet dat zijn gezicht samentrekt en zo blijft staan. Ze wil hem kalmeren, ze heeft hem al vaker overgevoelig zien reageren, meestal moet hij dan uitrazen. Ze weet niet goed wat te zeggen. Ze heeft ook recht op haar eigen verwarring, zonder dat ze meteen de zijne moet wegnemen.

Niet veel later trekt hij de voordeur achter zich dicht, op zoek naar gesuikerde cafeïne, in de hoop dat langs zijn wakkerder wordende lichaam zijn kop misschien opnieuw geboren mag worden in een ander inzicht, en hij vandaag kan doen waar hij zich op ingesteld had.

Op straat kijkt hij naar de huizen, vermoedt hij mensen die telefoneren of over het internet krioelen op zoek naar verklaring of betekenis of richting. En achter elke gevel ziet hij de kans tot een ontploffing, elke auto een braakbal van vuur en hitte en rook en scherven. Hij loopt over glas dat nog gebroken moet worden.

In de kleine supermarkt op het einde van zijn straat zoekt hij naar een energiedrankje. Alsof de doorstart van zijn lichaam uit blik kan komen. Op weg naar de kassa passeert hij de broden en andere baksels die het midden houden tussen mechanisch en ambachtelijk, en daardoor iets onbestemds krijgen. Hij denkt aan digitale doden, ongepubliceerde namen op websites die hij nooit zal kennen.

Zonder goed te beseffen waarom neemt hij een donut met een klamme metalen grijptang en doet die in een plastic zakje. Hij heeft er niet eens zin in, geen zin in de nootjes en het chocoladeglazuur die een dode fabrieksspuit erop kleefde.

De donut blijkt een euro twintig te kosten, twintig cent meer dan de laatste keer dat hij er een kocht. Er is vast een reden voor. Hij weet niet welke.

Met donutzakje en drankjes in de hand – hij kocht twee blikjes, ook nog een voor morgen, want wie weet hoe voelt hij zich dan – sleft hij de straat door, terug naar zijn appartement en online frustraties. En komt een meisje tegen dat enkele huizen naast hem woont. Ze knikt naar hem en glimlacht, en al bedoelt ze het niet zo, hij vindt het zo ongepast, zijn handen knijpen in het doorzichtige plastic zakje van zijn donut, ze kan zien dat hij die rotzooi koopt en nog wil eten ook, iedereen kan het zien, heel de wereld, en hij voelt heel de ochtend tot dusver door zich heen stromen en hij voelt hoe hij tot uitbarsting komt, dat geen woede zonder explosie kan blijven.

‘De wereld is om zeep,’ zegt hij tegen het meisje. ‘Ik hoop dat ze zich ermee zal wassen.’ Het meisje kijkt hem bezorgd aan, weet niet goed wat te zeggen, knikt dan, en wandelt snel verder.

Zelf begint hij om zijn eigen grap te lachen, steeds harder en harder. Hij lacht luid en hard en jaagt de mensen van de straten. Met twee blikjes energiedrank en een te dure donut in de hand loopt hij op mensen af met overgrote ogen, als van een eerder tamme hond die net in de aanval gefotografeerd werd en een blik trekt die z’n baasjes nooit in hem hadden gezien, het wit van de ogen groter dan de kleur waarmee hij naar de wereld kijkt.

Hij begint vormloze zinnen te schreeuwen, waaruit zou moeten blijken dat hij vindt dat religie het tegenovergestelde van exclusie betekent; waaruit zou moeten blijken dat volgens hem niets op losse schroeven meer staat, maar dat er geen schroeven meer zijn; waaruit zou moeten blijken dat hij het allemaal goed bedoelt, maar de mensen op straat en in huis worden bang van hem, en dat op een dag als deze.

De straten beginnen te vervagen, elke straat lijkt op een andere, hij snapt niets meer van het doolhof en hij spuwt op z’n eigen schoenen omdat hij zich angst en verwarring en woede toestaat terwijl hij net het tegendeel wil om te tonen dat er niks verandert, dat ze geen gelijk krijgen, dat alles verder gaat. Maar hij ziet amper nog wat van zijn omgeving, wat volgt is wat hem overkomt en hij ondergaat en hij blijft vooral halfzinnen schreeuwen tegen iedereen die het niet wil horen.

Pas wanneer hij niet veel later door drie bange agenten vol adrenaline tegen de grond wordt gedrukt, kalmeert hij weer. Net voor hij geboeid de politiewagen ingeduwd wordt, kijkt hij één van de agenten aan. ‘Sorry,’ mompelt hij. De agent knikt kort, met bedrukt gezicht, alsof hij hetzelfde wil zeggen.

De donut ligt onaangeroerd in z’n plastic zakje op de grond, zichtbaar voor de hele wereld. Verspilling van een euro twintig.

– peter de voecht, 22 maart 2016, 1:11pm