Recensie: Season of Migration to the North

Season of Migration to the North van Tayeb Salih

In die tijd publiceerde de Amerikaanse uitgeverij Heinemann een reeks romans van Afrikaanse auteurs. Hoe en wanneer deze pocketeditie (met een afschuwelijke cover) op mijn stapeltje “te lezen” terechtkwam kan alleen Joost zich nog herinneren. Het boekje boezemde me, precies door die lelijke cover, wantrouwen en afkeer in. Tot ik onlangs die stapel eens ging uitmesten, eindelijk het ding opensloeg en op zo’n  eerste zin stootte die je meteen naar adem doet happen en verder lezen: It was, gentlemen, after a long absence – seven years to be exact, during which time I was studying in Europe – that I returned to my people. De lezer wordt hier al in het derde woordje van wat een roman bleek te worden, direct aangesproken – in het meervoud nog wel. De schrijver richt zich daarbij uitsluitend tot heren. De lezer krijgt ook al heel wat informatie en ook heel wat vragen mee: iemand heeft zijn volk (welk volk, waar?) verlaten, om in Europa te gaan studeren (wat, zeven jaar lang?). Een Afrikaan wellicht, of een Indiër of een Arabier, zoiets, een ooit gekoloniseerde. Een Soedanees, zo bleek op de achterflap. Soedan! Het land dat me jaren geleden zo vol zachte, warme mensen leek en dan via een dictatuur van ‘religieuze’ fanaten en geldwolven tot een wellicht eeuwigdurend slagveld werd hervormd. Ooit het grootste Afrikaanse land, tot het zich pijnlijk in tweeën deelde.

Tayeb Salih werd in 1929 geboren in een dorp aan de Nijl in de Noordelijke Provincie van Soedan. Soedan heette toen nog Anglo-Egyptisch Soedan, het werd gezamenlijk door Engeland en het koninkrijk Egypte (dat eveneens onder Engels protectoraat stond) bestuurd. Pas op 1 januari 1956 werd Soedan echt onafhankelijk. Het Engelse familiebedrijf Gellatly Hankey and Company, waarvoor ik een hele tijd in België werkte, had er grote belangen die genationaliseerd werden: Gellatly Hankey (Sudan) Ltd had een bank, een zeepfabriek, een scheepvaartagentuur, een verzekeringsmaatschappij, een stevedoringbedrijf en misschien nog veel meer. Toen ik in de jaren rond 1980 in Port Sudan kwam stond op de loodsen in de haven en op het lokale postkantoor nog fier de naam Gellatly Hankey te prijken. Een Soedanees zakenvriend vertelde me toen dat zijn vader ooit als klerk bij Gellatly Hankey begonnen was, dat moet zo rond de tijd zijn geweest dat Tayeb Salih (weliswaar duizenden kilometer verderop, maar nog steeds in het reusachtige Soedan) opgroeide. De vader van mijn vriend had als kind Engels en Arabisch geleerd op school, op zich een hele gebeurtenis. Toen hij als veertienjarige bij Gellatly Hankey werd aangenomen als jongste klerk mocht hij na verloop van tijd geld van de firma lenen om er een schrijfmachine mee te kopen. Die nam hij iedere avond na de arbeid mee naar huis, ’s morgens bracht hij ze weer mee naar kantoor. Hij betaalde de lening voor zijn werkinstrument af via afhoudingen van zijn loon. Mijn Soedanese vriend was geen moslim, hij en zijn ouders waren christelijke Soedanezen, wellicht de reden waarom de kleine bij Gellatly Hankey aan de slag mocht. Het moet de jongeman jaren hebben gekost om de schrijfmachine af te betalen – toch bleef de familie aan Gellatly Hankey verknocht en toen de zoon ooit een probleem had in Antwerpen en de naam Gellatly Hankey zag contacteerde hij me, ervan uitgaande dat hij bij Gellatly Hankey Belgium ook wel serieus behandeld zou worden – wat uiteraard het geval was.

Heel deze inleiding om een beetje de atmosfeer tussen Engelsen en Soedanezen na de onafhankelijkheid te schetsen, want daar heeft deze roman veel me te maken. Aan de Anglo-Egyptische overheersing van Soedan was een nationalistische beweging voorafgegaan (een jihad had in 1881 een mahdi, een verlosser, aan de macht gebracht). Tot 1899 waren sjiieten de machtshebbers, toen kwam de fameuze Engelse Lord Kitchener de madhi-staat koloniseren. Na de onafhankelijkheid, vanaf 1956 dus, volgden periodes van zowel communistische als westers gezinde regeringen, tot in 1989 de huidige president, generaal Omar Al-Bashir aan de macht kwam en er de Moslimbroederschap installeerde. De rest van het fiasco is regelmatig in de nieuwsuitzendingen te volgen – met bijvoorbeeld een nakende enorme hongersnood in het intussen onafhankelijke Zuid Soedan voor de boeg.

Terug naar auteur Tayeb Salih dus. Geboren in 1929 in dat dorp aan de Nijl. Studeerde eerst aan de universiteit van Khartoum, daarna in Londen, waar hij bleef en onder meer voor de Arabische afdeling van de BBC werkte en later directeur werd van het Ministerie van Informatie in Doha (Qatar). Op latere leeftijd was hij nog actief nog als vertegenwoordiger van UNESCO in de Golfstaten. Zijn literaire werk steunt op zijn ervaringen als kind in Soedan, ontleedt de verschillen in westerse en oosterse culturen (de fameuze ‘normen en waarden’!). Uiteraard speelt ook die overgang van kolonialisme naar onafhankelijkheid vaak een rol. Season of Migration to the North verscheen in het Arabisch in 1966, in het Engels in 1969. Het werd een onmiddellijk succes. Hij publiceerde niet enorm veel, slechts een zestal romans en verhalen, vooral Season of Migration to the North bleef bekend genoeg.

De roman speelt zich af na de onafhankelijkheid van Soedan, zo rond 1960. De ik-verteller keert dus na een lange afwezigheid terug naar zijn dorp bij de Nijl. Hij ontmoet er een nieuweling in het dorp, Mustafa Sa’eed. De verteller en de nieuwkomer raken bevriend. Mustafa Sa’eed was geboren in 1898 in Khartoum, had, net als de verteller in Londen gestudeerd, was zelfs in het bezit van een Brits paspoort, had veel gereisd. Dan volgt het merkwaardige verhaal van de geëxpatrieerde Sa’eed, briljant student, eenzaat in Londen, vrouwenverleider van ongelooflijk kaliber – getrouwd of niet getrouwd, de Londense vrouwen uit alle rangen en standen tuimelen als rijp fruit in het bed van de knappe en onweerstaanbare Afrikaan. Eén van hen, Jean Morris, werd door hem gedurende drie jaar bestookt, in zijn woorden: ‘I pursued her for three years. Every day the string of the bow became more taut (…); my caravans were thirsty, and the mirage shimmered before me in the wilderness of longing; the arrow’s target had been fixed and it was inevitable the tragedy would take place.’ Jean’s antwoord: ‘You’re a savage bull that does not weary of the chase, (…), I am tired of your pursuing me and of my running before you. Marry me.’ En ze trouwen en dan hij weer: ‘My bedroom became a theatre of war’. Dit is de fraaie, erotische taal van een Lawrence Durrell in Alexandria Quartet: heerlijk om zulke taal nog eens te lezen na al het schrale geschrijf van onze tijd. Mals en sappig, gesluierd en pikant als de beloften onder een boerka, ik laat me ook maar eens gaan. Helaas, westerse vrouwen zijn (waren?) niet tegen al dat Afrikaanse geweld bestand, er vallen slachtoffers onder zijn veroveringen, zelfmoorden zelfs. Sa’eed wordt door het gerecht voor hun dood verantwoordelijk geacht. Ha, dat wou ik nog vertellen, hoe zijn zwak voor Europese, Engelse vrouwen was ontstaan: hij werd als jongetje in Cairo in het gezin van de Engelse ambassadeur opgevoed, als 12-jarige verkent hij de geur, het lichaam van de ambassadeursvrouw (Mrs. Robinson!): I felt as though Cairo, that large mountain to which my camel had carried me, was a European woman just like Mrs Robinson, its arms embracing me, its perfume and the odour of its body filling my nostrils. (…) I would look at the hair of her armpits and would have a sensation of panic. Perhaps she knew I desired her.

Het verhaal speelt zich af in tijden van een tolerantere Islam: bier en zelfgestookt spul drinken was dagelijkse kost. Maar vrouwen waren nog steeds bezit van hun man, werden door vaders en broers uitgehuwelijkt en zelfs op latere leeftijd (bijvoorbeeld weduwen) werd over hun lot beslist. Zo gaat het ook, daar in het dorp aan de Nijl, waar Sa’eed zich na het uitzitten van zijn Londense straf gevestigd heeft, er getrouwd is met Hosna, een lokale vrouw. Het loopt slecht af met Sa’eed en opeens wordt het verhaal nu het verhaal van Hosna en dat van de ik-verteller, maar vooral ook een verhaal over de strijd tussen lokale ‘normen en waarden’ enerzijds, en verworven westerse invloeden anderzijds. Een oude dorpeling, die al drie of vier vrouwen heeft, zet zijn hoofd op de jonge weduwe Hosna, krijgt haar door haar vader ook toegewezen. Terwijl de ik-verteller zelf door Hosna bezeten is, moet hij kiezen tussen de dorpstradities en zijn (en haar!) persoonlijke verlangens.

Het is een hartverscheurend verhaal, maar het gaat om meer dan die onmogelijke liefdesperikelen, het gaat over traditie (meer dan over religie), over breuken in gedragspatronen, fatalisme. Bovenal is het geschreven in een onweerstaanbaar mooie taal, het nodigt uit tot citeren: ik kan aan twee persoonsbeschrijvingen niet weerstaan. Op pagina 73 over de grootvader van de verteller, die bijna honderd is: He is no towering oak tree with luxuriant branches growing in a land on which Nature has bestowed water and fertility, rather is he like the sayal bushes in the deserts of the Sudan, thick of bark and sharp of thorn, defeating death because they ask so little of life. Is dat niet prachtig? En het gaat zo maar door. Om helemaal in schoonheid te eindigen, hier beschrijft diezelfde oude man de dochters van een vriend uit zijn jeugd: He was the father of several daughters – six of them and any of them was beautiful enough to be able to say to the moon “Get down and I’ll sit in your place”.

Maar laat je door al dat fraaie geschrijf niet misleiden: het is de inhoud die telt; het seizoen van de migratie naar het Noorden, maar dan 60 jaar geleden, het hongeren naar het moderne Westen, de moeilijke terugkeer naar de bron. Een tragisch verhaal, waarbij onwillekeurig de krantenkoppen van vandaag bij het lezen door je hoofd spoken. (Uit het Arabisch naar het Engels vertaald door Denys Johnson-Davies Heinemann, 1970 – 169 blz.)

René Hooyberghs