René Hooyberghs bespreekt Knausgard: Vrouw

Nu weet ik het zeker: 3.678 pagina’s telt de roman Mijn Strijd van Karl Ove Knausgard, verdeeld over negen delen, gepubliceerd in zes boeken. In het originele Noors dragen die boeken als titel gewoon Eerste Boek, Tweede Boek, enzovoort. Nagenoeg alle niet-Noorse uitgevers hebben er, wellicht om mercantiele redenen, voor gekozen wat beter in de markt liggende titels te bedenken. De Geus deed het nog redelijk: Vader, Liefde, Zoon, Nacht, Schrijver, Vrouw; de Fransen en Engelsen maken er helemaal een potje van. Jammer, want zo dekt de vlag de lading niet meer. De zes boeken gaan over veel meer dan wat de titels zouden aangeven, en hoe helpt in hemelsnaam een titel als Liefde of Nacht de argeloze lezer aan enige duiding?

Maar goed, over de vertaling heb ik later nog wel wat te vertellen.

Het boek Vrouw dus. Karl Ove Knausgard blijft er voortdurend, ook in dit boek, de nadruk op leggen: hij schrijft een roman, geen dagboek. Die roman is gebaseerd op echte gebeurtenissen en personen uit zijn omgeving. De roman is ook geen gefantaseerd verhaaltje, hij is de weergave van hoe de auteur die gebeurtenissen, die personages, ervaren heeft, hoe zijn relatie met die gebeurtenissen en personen door hem werd aangevoeld. Dat blijkt al gauw uit de eerste zeg maar tweehonderd pagina’s van Vrouw. Hij vertelt hoe het Eerste Boek (Vader) weldra zal gaan verschijnen. Uit dat boek weten we hoe moeilijk de relatie tussen Karl Ove en zijn vader was, de vader autoritair, alcoholicus, tragisch levenseinde. Vermits hij in Vader een heleboel familieleden en (jeugd)vrienden in zijn roman vernoemt, stuurt hij hen een kopij van het manuscript, biedt aan hen in de gepubliceerde uitgave onherkenbaar te maken of hun namen te wijzigen. De meesten gaan akkoord met het manuscript zoals het is, zelfs als ze vinden dat ze er nogal bekaaid afkomen of als hun herinnering van het vertelde afwijkt van die van de auteur. Alleen de broer van Karl Ove’s vader is allerminst akkoord: zijn herinnering van de feiten is totaal anders, Karl Ove sleurt – met medewerking van zijn moeder nogal – de naam van de familie Knausgard door het slijk, stelt zichzelf als de held van de familie voor terwijl daar niks van aan is. Er wordt gedreigd met processen, met publicatieverbod, het risico bestaat dus dat de hele reeks nooit gepubliceerd wordt. Daarover schrijft Knausgard, over hoe hij zichzelf moet blijven overtuigen dat het project moet doorgaan, dat hij daar het recht toe heeft. Hoe hij wordt gesteund door zijn uitgever, ook als de toon van de dreigbrieven hoger wordt. Ook zijn trouwe Noorse vrienden blijven hem steunen. Nog voor het boek gepubliceerd wordt komen er lekken in de pers, Knausgard is, dankzij zijn eerste roman, Engelen vallen langzaam, in Noorwegen al behoorlijk bekend.

Het is in deze atmosfeer dat hij aan het laatste deel van de roman moet werken, maar er is meer, en nogal wat: er zijn de drie kinderen, de jongste, John, nog een echte kleuter. Zijn vrouw, Linda, is niet zo handig met het huishouden, met winkelen, en is ook nogal eens afwezig, logeert bij vrienden tijdens het schrijven, werkt zelf aan een boek. Dus, of zo schrijft Karl Ove toch, al vanaf de onmogelijk vroege ochtenden is hij in de weer met ontbijt maken, kinderen aankleden, naar de crèche brengen, boodschappen doen, koken, opruimen, poetsen. Van Linda is nauwelijks sprake: ze is in de roman op dat punt vooral aanwezig door haar afwezigheid. Tot conflictsituaties leidt dit niet, je hebt wel de indruk dat Karl Ove zit te zeuren, zich zit te beklagen omdat er te weinig tijd om te schrijven is, omdat de deadline nadert (en zijn boek ook steeds maar langer wordt), maar toch zit in die strijd van die bonkige, boertige Noor in dat voor hem zo verfijnde Zweden met zijn eigen fatsoensregeltjes ook altijd een toontje van zelfbeklag, van ‘kijk eens hoe hard ik probeer mij aan te passen’: hij heeft niet de minste neiging om van zichzelf als hoofdpersonage een appetijtelijk en sympathiek beeld op te hangen.

Tijdens dat filosoferen over hoe een roman een echte situatie kan weergeven vanuit een bepaald standpunt, namelijk dat van de auteur in dit geval, glijdt de tekst geleidelijk naar een tweede gedeelte. Dat gebeurt, omdat Knausgard niet met hoofdstukken werkt (waardoor je ook ’s nachts verdraaid maar door blijft lezen, altijd maar weer een bladzijde omdraait, tot je tureluurs in slaap valt met zo’n anderhalve kilo boek naast je) bijna onmerkbaar. Hij begint over taal te schrijven, te mijmeren bijna. Via dat dreigende publicatieverbod komt hij bij andere auteurs terecht, Noren en buitenlanders, zoals Knut Hansum en Peter Handke. Over het ‘ik’ als schrijver. Over het dagboek van Witold Grombrowicz: altijd ‘ik’. Zo gaat het nu over taal, en al gauw komen we tot de hoofdmoot van het Zesde Boek, dat Vrouw heet: de fascinatie voor en de beschouwingen van Knausgard over Hitler, de taal van de nazi’s, de taal uit Mein Kampf (een boekje dat hij bijna tersluiks moet gaan kopen, hij wil vermijden dat er prematuur in de pers over zijn aankoop gelekt wordt, dat de aankoop uit sensatiezucht openbaar wordt gemaakt – het is ook grappig dat je zo’n boek, net als porno, niet in de openbare ruimte, een trein, een vliegtuig naar IJsland, een luchthaven, gaat zitten lezen). Net nu dit jaar Mein Kampf ook in Duitsland mag herdrukt worden (de auteursrechten, in eigendom van de Duitse staat, zijn na 70 jaar vervallen) is het interessant te zien hoe hiermee zal worden omgegaan. In Duitsland is er sprake van Mein Kampf in de geschiedenislessen weer aan bod te laten komen: om te vermijden dat het boek een cultobject voor extreem rechts zou worden kan het maar beter in het curriculum worden opgenomen.

Dat leidt tot commentaar over Hitler zelf, vooral over diens jeugdjaren, de kindertijd en de verborgen periode in Wenen tot voor WOI. Dat geobsedeerde, nog niet van Jodenhaat vervulde, daar ziet Knausgard wel wat in. Hitler afgeschilderd als luie nietsnut, loser, derde of vierderangsschildertje (wat hij natuurlijk wel was), dat vindt Knausgard te primitief, veeleer bewondert hij het obstinate volharden van het NIET doen wat hij niet wil in de jonge, onbesmette Hitler, veronderstelt dat Hitler niet als monster geboren werd, hoewel hij zo vaak wordt geportretteerd door biografen. Verdenk Knausgard nu niet van Hitler- of nazisympathieën, daar gaat het niet om. Hij gaat wel op zoek naar de trigger, ontleedt de geschiedenis en de taal van Mein Kampf, hoe die taal later door de nazi’s werd genaast, nog later door de Duitse pers, de hele Duitse taalgemeenschap. De taal als wapen, letterlijk. Hoe de ontmenselijking in het nazisme plaatsvond in de taal. Het gebeurt allemaal, op zijn Knausgard’s, met stevige gedachtensprongen en uitweidingen over, ik noem maar wat, impressionisme, of handel en distributie, over de fase in een relatie tussen verliefdheid en gesettled zijn (uit eigen ervaring uiteraard), over stedenbouw. Over de rol van een naam voor een personage in een roman: bij Flaubert en Kafka, bij Joyce en Faulkner, en dan vergeet hij verdraaid Lolita en Humbert Humbert van Nabokov nog. Opeens blijkt wat niet tevoorschijn kwam uit de vorige delen van Mijn Strijd: Knausgard heeft nog best wel wat anders gedaan in zijn jongere leven dan schrijven, drinken (ook hectoliters koffie), roken, voetballen en kinderen naar de crèche brengen: lezen voornamelijk, nadenken. Over de verhouding tussen een roman en poëzie: Een roman lezen na de cellosonates van Bach te hebben gehoord, is alsof je na een zonsondergang naar de kelder gaat. De roman is de vorm van het kleinschalige leven, en als dat niet het geval is, liegt hij en is het geen echte roman, want in elk personage schuilt wel iets kleins. De enige literaire vorm die dat kan ontstijgen, is het gedicht. Dat is verwant aan het lied en bevindt zich ergens tussen muziek en woorden, dat wil zeggen dat het in staat is boven het woord uit te stijgen en op die manier te ontsnappen aan het sociale, hetgeen een ander woord is voor de wereld zoals wij die kennen. In die zin is de poëzie ook verwant aan de religie, die altijd in het menselijke verankerd, maar op het niet-menselijke gericht was, op dat wat allen vreemd is en op de ademtocht waarvan we onbekenden zijn, niet alleen voor elkaar, maar ook voor onszelf. (groot citaat op pagina 386/7).

Hij gaat de poëzie van Hölderlin met een fileermes te lijf, die van Rilke ook, Paul Celan krijgt een Hineininterpretierung van zo’n vijftig pagina’s. Waarbij de vertaalster er in een voetnoot op pagina 418 de lezer er fijntjes op wijst dat Knausgard een vertaalfout Duits/Noors maakt, daar een grote passage commentaar op baseert en dus eigenlijk grondig in de fout gaat, chapeau! Hij heeft het over de taal als maker van de menselijkheid, of liever de ontmenselijking zonder taal. Het vreemde is dat Knausgard Mein Kampf pas las nà dat hij besloten had zijn romancyclus Mijn Strijd te noemen, terwijl je toch de parallellen ziet tussen de beschrijving van hun vriendschap door de jeugdvriend van Hitler, Kubizek, met de eigen tienertijd van Knausgard en diens relatie met zijn vrienden – waarbij dan Knausgard altijd de gedomineerde was, of dacht dat hij dat was, de Kubizek. Over de onbereikbare plannen die Hitler in zijn (zelf gekozen) eenzame, dakloze tijd in Wenen koesterde: een opera schrijven, aan stedenbouw doen, het oprichten van een rondreizend mobiel ‘rijksorkest’.

Dat is de reden dat ik schrijf, ik probeer de verbindingen die ik aanga te onderzoeken en als ik word aangetrokken door het authentieke, is ook dat een verbinding die ik moet onderzoeken. Dat schrijft Knausgard op pagina 583, en daar is hij de hele tijd, dan al bijna 600 pagina’s mee bezig, en nog steeds staat op het boek de titel Vrouw, om daar nog maar eens over te zeuren. Naadloos gaat hij zo door, van verbinding naar verbinding, lees zelf maar zijn beschrijving van het schilderij De dame met de Hermelijn van Leonardo da Vinci. En van Leonardo naar Don Quichote, waar dan weer de eindredacteur jammerlijk faalt als Knausgard een paragraaf van Cervantes en een paragraaf van Pierre Menard (een minder bekend Frans auteur) met elkaar gaat vergelijken en op bladzijde 623 dezelfde paragraaf per ongeluk twéé keer herhaald wordt, zodat je niet weet wie de tekst schreef en nog minder kan vergelijken, en Knausgard daar dan weer uiteraard over doorgaat, bladzijden lang, totaal zinloos, hopelijk werd dat in de tweede druk hersteld.

En dan komt de vrouw aan bod, zo ongeveer in de laatste tweehonderd pagina’s. De strijd om de publicatie van Boek Eén is gestreden, het boek is verschenen, de sensatiepers stort zich op de sappigste onderwerpen, spoort alle personages genadeloos op, ook zij die met een schuilnaam vermeld werden. Een vrouw beschuldigt de auteur van verkrachting, ook dat komt uitgebreid in de pers. Karl Ove, die al decennia probeert ongemerkt door het leven te gaan komt dagelijks in de kranten, er wordt gesjoemeld met interviews, gelogen, ook Noorwegen zal wel een Dag Allemaal hebben. Steeds maar foto’s, zijn kop wordt een soort logo, ook in Malmö waar hij woont (ik liep daar verdraaid rond terwijl hij op dat appartement zat te schrijven, terwijl hij op dat balkonnetje van hem zat te kettingroken en te kettingkoffiedrinken, verdomd, niet dat het enig verschil zou gemaakt hebben, maar wat zou ik het fijn hebben gevonden als ik dat geweten had, hij woonde toen vlakbij het Hilton Hotel, liep dagelijks met die drie kleuters naar de crèche, ik moet hem haast gezien hebben). Knausgard wordt publiek bezit, wordt op straat aangesproken, er verschijnen foto’s van hem en Linda in de pers. Linda, zelf schrijfster, radiomaakster, maar o zo kwetsbaar, en Karl Ove die dat allemaal moet neerschrijven, beschrijven, kenbaar maken. Ik voel me, voor het eerst in deze wonderlijk mooie en brutale roman, als een gluurder: moet ik echt weten hoe erg een manisch-depressief mens lijdt, de onmacht van haarzelf, van haar omgeving, de vreselijke schommelingen van piek naar dal, van pool tot pool. Ja, want het is beschreven, het is deel van een geheel. En er zit zwarte humor in de onhandigheid van die twee, het zijn mensen, geen romanfiguren: hoe ze zich tijdens een verschrikkelijke vakantie op Gran Canaria door een gehaaid vastgoedmakelaar een dagje aan het strand laten aanpraten en hij zowaar bijna in de val trapt en er, failliet als ze zijn, een appartement dat hij absoluut niet wil van koopt, hoe zij per se een volkstuintje wil kopen, ze daar het geld voor moeten lenen (bij zijn schoonmoeder, die zo slecht in de roman was beschreven en dat wist, maar er niet over sprak, terwijl hij voortdurend nu wel vol bewondering over haar schrijft, nu, nu ze helpt op de drie kinderen passen terwijl Linda ziek is en hij moet schrijven aan Boek Zes, aan Vrouw!), hoe dat met dat volkstuintje ook weer faliekant afloopt natuurlijk. Er zit geen plot aan, geen naar het einde toe werken, op 2 september 2011 is de roman Mijn Strijd af, pagina 3678 is bereikt. Of is er toch een happy end? Op de Engelstalige Wikipedia lees ik vandaag dat er nu vier kinderen bij Knausgard rondlopen, hij is verhuisd, chronisch geldgebrek zal ook wel geen punt meer zijn. Maar dat valt buiten de roman, heeft niets meer met Mijn Strijd te maken. Zoals hij zelf schrijft: wat ik geschreven heb is niet noodzakelijk zo gebeurd, maar zo heb ik het gezien.

Mijn Strijd is een groots werk, veel meer nabeschouwingen vallen hier niet te leveren, ik heb er alles over gezegd wat ik kwijt wou. Blij dat Knausgard een tijdje aan de kant kan, dat wel natuurlijk, al moet en zal ik ook Engelen vallen langzaam ooit lezen. Er passen ook felicitaties voor vertaler Marianne Molenaar, want een job! Hoewel ze me ook in Vrouw geweldig heeft zitten irriteren met haar geslachtsverwisselingen: verschrikkelijk hoe vrouwelijke woorden steeds maar mannelijk worden: de zon, de wond, de supermarkt, de cultuur, de as, de bergketen, de dood, de hand, de vraag, de stem, de stad: allemaal hij, verschrikkelijk. Ja, ooit leer ik Noors en lees het nog eens allemaal, maar eerst even uithijgen nu.

(Originele titel: Min Kamp, sjette bok. Vertaald door Marianne Molenaar De Geus, 2015 – 1075 blz.)