Open brief aan Joke van Leeuwen

Open brief aan Joke van Leeuwen over het Antwerps stadsdichterschap

Beste Joke van Leeuwen,
er zijn twee dingen die wij met elkaar gemeen hebben. Het eerste is dat wij beiden in Antwerpen wonen: jij, Nederbelg, uit keuze, ik als hier geboren en getogen Antwerpenaar die al meer dan een halve eeuw niet weet waar hij anders heen zou trekken. Tot enige tijd geleden deelden wij de buurt waarin we woonden, de omgeving van het statige oude Gerechtshof. Het is daar dat we voor het eerst contact hebben gehad en wel over dat tweede punt dat we gemeen hebben: de poëzie. Ik heb destijds dapper misbruik gemaakt van ons nabuurschap om je op enkele van mijn gedichten commentaar te laten geven. Ik ben je daar nog altijd dankbaar voor.

Aan dat beperkte contact werd ruim later een vervolgje gebreid, toen enkele gekke dichters het zich in het hoofd hadden gehaald om in de zomer van 2015 een week lang met de Poëziebus door Vlaanderen en Nederland te zullen rijden. Je was de geknipte persoon om de aftrap van die onderneming te geven in het Letterenmuseum in Den Haag en hebt dat ook gedaan met het poëtische enthousiasme waarvoor je bekend staat. Ook daarvoor blijvende dank.

Lieve Joke, deze open brief is een hulpkreet. Ik heb inderdaad je hulp nodig, want ik begrijp de wereld niet meer (na al die jaren in Antwerpen weet je dat voor een Antwerpenaar de wereld in zijn stad begint). Jij bent nu dichter der Nederlanden, maar ruim daarvoor ben je ook Antwerps stadsdichter geweest. Half december werd bekendgemaakt dat in die functie over enkele dagen, op Gedichtendag, Maarten Inghels wordt aangesteld. Nu mag ik Maarten graag lezen en verwacht ik nog best wat interessants uit zijn pen te zien vloeien, maar de vraag die mij naar de keel grijpt is deze: Joke, waar zijn de vrouwen gebleven?

Achterom kijkend zie ik dat het stadsdichterschap in Antwerpen werd ingevuld door Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert, Peter Holvoet-Hanssen, Bernard Dewulf, Stijn Vranken en jou. Een mens moet zelfs niet tot tien kunnen tellen om vast te stellen dat er tot op heden welgeteld één vrouwelijke stadsdichter – stadsdichteres, zo je dat zou verkiezen – is geweest. 1 vrouw en 6 mannen! Zoiets is toch lichtjes verbazend in een tijdperk waarin je steeds weer met gelijkheid om de oren wordt geslagen op alle mogelijke en onmogelijke vlakken! Ik had gehoopt dat van de gelegenheid gebruik zou worden gemaakt om dat te verhelpen. Méér zelfs: een tijdje geleden heb ik mij verstout – je weet hoe Antwerpenaars geacht worden te zijn, met een grote mond en het hart op de tong – om de bevoegde overheden daarop te wijzen. Om het helemaal gemakkelijk te maken heb ik daarbij zelfs verwezen naar mogelijke kandidates, dames die ik ken en al enige tijd volg en die het talent en de maturiteit hebben om het Antwerpse stadsdichterschap van een eigenzinnige, maar meer dan behoorlijke invulling te voorzien.

Ach Joke, ik begrijp het niet. In het poëziewereldje wordt al enige tijd opgemerkt dat er een generatie jonge vrouwen is opgestaan die de Nederlandse letteren een degelijke oppoetsbeurt geven. De mannen krijgen daarbij behoorlijk het nakijken. Moet ik het hebben over Maud Vanhauwaert die al twee bundels uitbracht en die vriend en vijand met haar prettig gestoorde taalspel regelmatig op het verkeerde been zet? Moet ik verwijzen naar het debuut “Kameleon” van Charlotte Van den Broeck net een jaar geleden, bejubeld en toegejuicht alom? Moet ik er ten overvloede aan herinneren hoe de binnenkort debuterende Lotte Dodion er als eerste Vlaamse in slaagde om in het Nederlandse kampioenschap poetry slam door te stoten naar de finale? Dan heb ik het nog maar over deze drie dames, maar vergis ik me, of woont Ruth Lasters niet meer in Antwerpen? En welke vrouwelijke dichters wonen nog in onze stad, zonder dat ik daar weet van heb?

Met dit alles, Joke, stijgt mijn respect voor jou naar ongekende hoogten. De wat schimmige adviescommissie die de stadsdichter voordraagt en waarvan jij blijkbaar deel schijnt uit te maken, heeft, uiteraard onbedoeld, jouw waarde nog wat doen toenemen. Immers, bij de eerste 8 stadsdichters is er nu 1 vrouw, wat wil zeggen dat jij maar liefst 7 mannen waard bent! Eer zoiets tot evenwichtigere proporties is herleid, verstrijkt er toch wel een jaar of tien. Waarmee je qua reputatie toch echt wel gebeiteld zit. Niet onverdiend, haast ik mij daaraan toe te voegen, maar dat weet je zelf ook wel. Het ware zo gemakkelijk geweest om de verhoudingen wat redelijker te maken, indien men er wat oog voor had gehad. Door nu voor een vrouw te kiezen, was er nog altijd een groot onevenwicht geweest, maar toch al wat kleiner dan voorheen. Jouw persoonlijke waarde was dan misschien wat gezakt: je was dan nog “maar” 3 mannen waard geweest, net als de dan nieuw te benoemen collega.

Beste Joke, deze open brief is, hoewel afkomstig van een man, geschreven naar de woorden van de Antwerpse dichteres Anna Bijns: meer suers dan soets. Bijns mocht in haar tijd geen lid worden van een rederijkerskamer omdat het lidmaatschap daarvan was voorbehouden aan mannen. Jij hebt, als vrouw, weten door te dringen tot de rederijkerskamer der Antwerpse stadsdichters en dat is een meer dan behoorlijke prestatie. Daarmee is toen de deur op een kier gezet en nu komt het er op aan om ze verder open te wrikken, lijkt het. Er is twee jaar tijd om dat te doen en het onontkoombaar te maken dat de volgende Antwerpse stadsdichter een vrouw is, uiteraard mits te voldoen aan de voorwaarde van poëtisch meesterschap. Maar zo’n vrouwen zijn er, dat weten jij en ik. Het is blijkbaar hard nodig om die de volgende twee jaar in de schijnwerper te zetten, zodat ze niet meer worden vergeten. Ik hoop dat jij daar enigszins de ambassadeur voor wil zijn.

Met vriendelijke groet,

Gust Peeters
, vriend van de poëzie 
en
 van de Antwerpse stadsdichters
Contact: 03.225.30.75 of Gust.Peeters@telenet.be
(Antwerpen, 25 januari 2016)