Recensie: Generator van Koen Sels

Karl Ove Knausgard heeft 3048 pagina’s nodig om te schrijven wat Koen Sels op 123 bladzijden klaarspeelt, ik kan het weten, ik heb het gecheckt en lees nu, alweer uitermate geboeid, het laatste deel van Knausgard’s Mijn Strijd: Vrouw. En las tussendoor een boekje dat hier als een onverwacht herfstblad op mijn leestafel neerdwarrelde: Generator, van Koen Sels.

Koen Sels (1982) is redactielid van het literaire tijdschrift nY (opvolger van Yang). Hij schrijft ook over kunst en leverde o.a. de tekst bij de monografie van schilder en beeldhouwer Marc Vanderleenen.

 

Koen Sels lijkt wel aangedreven door een turbogenerator, zoals hij verbaal tekeer gaat in deze Bildungsroman, de coming-of-age story van een kind uit de Kempen, ik proef al lezend het dialect zonder dat hij in dialect schrijft, ik zie de verkavelingswijk, de huizen met de oprit naar de garage, hier en daar een caravan op de oprit en de auto op straat, ik ruik de frituur wat verderop naar het dorp, ik hoor de grasmachines op zaterdagochtend, ’s nachts een snerpende bromfiets die de hele buurt vloekend in bed doet rondtollen. Generator is zo’n boek waaruit je lukraak citaten plukt, want Koen Sels schrijft in een daverend tempo dat toch beklijft, neem deze, de waarnemingen van een kruipende kleuter over het huis waarin hij opgroeit, pagina 13, eens dat gelezen moet je wel verder:

Het huis lijkt al eeuwen door dezelfde personages te worden bewoond en is doordrongen van een zwammige mensengeur die zich rond etenstijd mengt met de geur van juliennesoep, vleesbrood, krieken en biscuit, een amalgaam dat zich heeft vastgezet in alle objecten: een donker neoromantisch landschapschilderij met bloedrode wolken boven de einder bij valavond, een stilleven met gevilde haas en tweeloop, een leren sofa die zich in de loop der jaren naar negen konten heeft geschikt, een oude radio met in tongen pratende monsters aan beide uiteinden van de frequentieband, een platenspeler met daarnaast enkele singles uit de jaren zeventig, wentelende lichtjes, een discobal, vale kleuren, de soep, fonkelingen op glanzende pakjes en ziekelijk witte tanden. En na de soep, die op moet, gaan de patatten in hetzelfde bord.

Zie je die vermoeide zetel staan, met de negen konten? Ruik je die soep, die op moet? Geweldig, en vooral: voel je hoe hier moet uitgebroken worden? Bij mij was het in Schoten, Antwerpen en de rest van de wereld leken oneindig en onbereikbaar ver weg, ik las ontsnappingsverhalen uit de Prismareeks, alsof de Verbertstraat in Dachau lag. Bij Koen Sels (hij schrijft zijn boek in de hij-vorm, alsof hij afstand van zichzelf wil nemen) is Turnhout (hij noemt het ‘T’) de dichtstbijzijnde stad. Tijdens de puberteit en de humanioratijd slaat de verveling toe, begint drank en muziek te overwegen, meisjes worden ontdekt en vergeten, hasj walmt doorheen de pagina’s, maar er is hoop: Antwerpen, de ‘grootstad’ lonkt, met de kunstacademie en vrijheid van gaan en staan, nieuwe vrienden en nieuwe boeken (Koen Sels draagt zijn boek trouwens op aan ‘mijn vrienden’).

 

Het is herkenbaar allemaal, en “hij” wordt iets, het uitzichtloze maakt plaats voor de vrijheid van Antwerpen, een stad die hij bijna straat voor straat verkent, waarin hij rondwaart als een pelgrim: deze stad is een optelsom van momenten, van beslissingen die nu niet langer op zich zouden mogen laten wachten, van mensen met centen, vrije tijd, een wagen, een woning en claustrofobie – zouden mogen laten wachten, vier werkwoorden na elkaar om aan te tonen dat er niets gebeurt.

 

Natuurlijk is de vergelijking tussen Knausgard en Sels scheef: Knausgard is de eeuwige twijfelaar, de stoere angsthaas, de man die voortdurend vreest wat ‘de anderen’ over hem denken, terwijl wellicht geen enkel ander modern (of post-modern) schrijver ooit zoveel over zichzelf en over zijn omgeving heeft blootgegeven als Knausgard. Sels daarentegen scheurt aan een duizelingwekkende snelheid door zijn jeugd, of tenminste, door de jeugd van zijn personage, want ik zit hier zomaar klakkeloos aan te nemen dat Sels over het zichzelf heeft, terwijl hij over “hij” schrijft (Knausgard heeft het ongegeneerd over “ik”). Maar ook in die vorm levert hij een getuigenis van een periode van relatieve, onbezonnen onschuld, De Witte honderd jaar later, de onschuld vervangen door wantrouwen, het wantrouwen vervangen door afscheid van het kleinsteedse, door nieuwe visie, nieuwe verbondenheid, ‘de vrienden’ waarvoor hij schrijft, aan wie hij, naar eigen zeggen, ‘een deel van zijn identiteit, inspiratie en zin om te schrijven’ te danken heeft. Die zin om te schrijven, het genot van het juiste woord, dat spettert doorheen dit hele boek. Ik vergelijk het ook met Het Schapenfeest en vooral Drarrie in de Nacht van Frikri El Azzouzi, de “hij” uit Generator is een Kempense auchtone drarrie, maar het schrijven van El Azzouzi is trager, moeizamer, bedachtzamer. Ik zie Koen Sels ademloos voor zijn laptop zitten tokkelen, soms verbaasd opkijkend van wat daar opeens allemaal staat: heerlijk.

 

(Het Balanseer, 2015 – 123 blz.)