POLEMIEK: Een kleine oorlog voor het grote schrijven (2)

Gierik & NVT voert een polemiek over wat literatuur vermag, moet en kan zijn. Hieronder leest u de repliek van Marc Kregting. Marc Kregting werd in 1965 geboren in Breda en woont in België. Met Onze Nietzsche. Catechismen publiceert hij in november 2014 zijn twaalfde boek. Kregting blogt op De honingpot.

‘Het drijfzand van de fictie’. Bij kunstmatige taal
door Marc Kregting

Literatuur kan redelijkerwijs geen laboratorium meer zijn waarin bijzonder taalgebruik wordt getest. Daarvoor evolueerden productie, distributie en receptie van het bedrijf te zeer mee met de politiek. In het recentste deel van de bij een gelouterde uitgeverij verschenen, door de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en het Nederlands Letterenfonds ondersteunde en door een respectabele redactie begeleide reeks over de roman herinnerde Oek de Jong zich hoe hij in de jaren zeventig het experiment had verworpen wegens ‘het bedachte, het theoretische’. Hij vermoedde daar inmiddels een extra motief bij: ‘Ik moet in deze romans ook de ideologische kant van experimentele literatuur hebben bespeurd.’
Uiteraard kan men op eigen risico pogingen blijven wagen. Mochten ze opgemerkt worden, dan ligt de status van Olivier B. Bommel in het verschiet. Ik vind dat jammer, ook omdat steekproeven uit gecertificeerde waar mijn smaakpapillen niet bevredigen. Maar laatst las ik een boek waarvan ik meende: urgent! Het was nota bene een debuut, een genre dat me – een schadelijk kenmerk van ouder worden? – onbekend geworden is. Helaas blijkt de realiteit het niet met me eens. De Leeswolf was dan wel positief, er waren daarnaast bij mijn weten slechts twee recensies, die ook nog van krak zeiden.
In haar roman Tot later heeft An Mertens aan elk van haar verteller-personages een eigen taal gegeven. Die polyfonie bleek ervaren als formalisme. En dat werd dan weer een steen des aanstoots die evidente poëticale verschillen blootlegde. Het geheel van stemmen zou een kunstmatige indruk wekken, onvoldoende samenhang aan het geheel bieden en getuigen van een experiment dat gedateerd is.
De stelligheid waarmee iets passé wordt verklaard, tart me een schrijversleven lang. Zelf vaak met die ziekte behept geweten, ben ik haar, getuige eveneens de eerste alinea van dit stukje, gaan overdragen. Bij Mertens vind ik het oordeel ook brutaal. Enerzijds wordt ze er als debutant mee kaltgestellt, anderzijds mag Tot later vernieuwend heten. Aan de roman is een waarlijk interactieve site gekoppeld: http://www.adashboard.org/ciaocu/. Deze virtualiteit leidt rechtstreeks terug onze wereld in, verfrist en belust.
Normaal ruil ik mijn oordeel graag in voor een beter. Voor deze gelegenheid bekijk ik een van de stukken die Tot later van de bühne duwden. Het is van Dirk Leyman, de literair reporter die sinds jaar en dag in De Morgen nieuwe uitgaven verslaat.
Hij bespreekt Mertens in 380 woorden. Na enige beleefdheden boren ze bijna exclusief in de diverse taalsoorten en de consequenties daarvan. Voor een van de vertellers vermoedt Leyman dat de auteur Google Translate heeft gebruikt. Hij proeft ‘nogal uitgekauwde procedés’ en een ‘documentaire patchwork’ dat nooit ‘een volwaardige roman’ wordt. Bij deze reeds geschetste poëticale bezwaren verbleekt Leymans zwaarste aantijging geenszins. De formuleringen van Mertens blijken zo zwak dat de eindredactie het boek in de steek gelaten moet hebben, zegt hij. En eindigt met één bewijszin. ‘Een moeras, dat is het drijfzand van de fictie waarin ik op een dag nog zal stikken.’
Ik heb hier even moeten slikken. Niet alleen omdat ik meehielp met die redactie, maar vooral omdat het citaat, zoals inderdaad vele zinnen in Tot later, precies doet wat het boek in mijn ogen sterk maakt. Het klutst namelijk registers en metaforen met in de postpolitiek versteend geraakte zegswijzen, uit het geheel waarvan een effectvolle handeling doorschemert. Uit De weg uit de crisis. Hoe Europa de wereld kan redden van liberaal Guy Verhofstadt prik ik: ‘De bubbel die niet als bubbel werd gepercipieerd, werd door politici en centrale bankiers gezien als de drijvende kracht, als de motor als het ware, om de nakende recessie te lijf te gaan.’ Bij een collega ter socialistische overzijde, Patrick Janssens, tref ik in Voor wat hoort wat. Naar een nieuwe sociaal contract bijvoorbeeld: ‘De stad is het best mogelijke laboratorium om nieuwe uitdagingen te ontdekken en te onderzoeken hoe we die – met vallen en opstaan – kunnen aanpakken.’
Het is precies dit gebruik van taal, een hogere fusionbeeldspraak, die in postpolitieke gremia van enig gewicht de dienst uitmaken. Ik was in de veronderstelling dat Mertens deze taal problematiseerde. Ook door ze te confronteren met bijvoorbeeld hakkelende, van afkortingen doordesemde communicatie op sociale netwerken. Kunstmatigheid troef, inderdaad, om uit de impasse te raken. Maar dat vat Leyman dus anders op.
Elders in zijn stuk (dat nog drie boeken beoordeelt) vermeldt hij Erwin Mortier. Deze geldt daar als referentie over de Eerste Wereldoorlog en Leyman kondigt meteen een te verschijnen titel van hem aan. Ik delf dit wapenfeit op omdat Mortier doorgaat voor een taalvirtuoos. Met deze zin, uit de gelauwerde roman Godenslaap, won hij bijvoorbeeld de Tzumprijs: ‘Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.’
Zo’n stijl kan voor de een het summum van métier zijn en voor de ander van kitsch. Het mortieridioom is verwant aan de fusionbeeldspraak. Bij Mertens zou het passen in haar spectrum van vertelmogelijkheden, die kennis over de wereld opleveren. Haar inzet van taal is in die zin wel ouderwets, omdat ze een onderzoeksmethode dient. Mertens voegt zich bij een traditie die in de Lage Landen nooit school heeft gemaakt. De reden voor dat gebrek aan anklang kan liggen in een uitgesproken vijandelijkheid tegenover omringende teksten.
Veel belangwekkends valt hierover te lezen in de kritiekenbundel Konfrontaties van J.F. Vogelaar uit 1974: ‘De Nederlandse literatuur wordt geschreven in een maatschappelijk vacuüm, dat op papier wordt omgetoverd in het innerlijk leven van individuen. Dit innerlijk leven is tijdloos. De enige problemen die aan de orde komen zijn die tussen mannetjes en wijfjes, of jeugdherinneringen die afgewerkt moeten worden.’ Zo’n these, en de met dedain concurrerende stelligheid waarmee ze wordt gedaan, zette kwaad bloed.
Voor mij is er geen verschil met de passé-diagnose, dus ik begrijp de bitse reacties wel. Zeker omdat Vogelaar erop voorthamerde: ‘Geen wonder dat driekwart van de literatuur die nu op de markt verschijnt ook tien jaar geleden geschreven had kunnen zijn.’ Op tafel ligt weer een bewering die oncontroleerbaar is. En die neigt naar het ongeloofwaardige, gelet op Vogelaars belezenheid in wereldliteratuur en theorie – wanneer zou hij tijd hebben kunnen investeren in teksten uit eigen land?
Dat maakt het bijna begrijpelijk dat hij viel voor de verleiding van blinde oordelen, en dat ze arrogant aanvoelden. Maar indien ik gedwongen zou zijn te kiezen, dan koos ik toch zijn kant. Vreemd, want ik lees amper nog fictie. De oorzaak van dat feitje, op basis waarvan ik beter zou zwijgen, ligt in een juryschap. Ik kreeg eens de prozaproductie van het jaar 2007 te lezen. En ja, de thematiek benaderde die in Vogelaars karikatuur. Ik moest aantekeningen maken om de grote meerderheid van die boeken uit elkaar te houden.
Voor mij ontstond die uniformiteit doordat de taal zelden beproefd werd, net als de manier van vertellen. Zo verschoof de nadruk naar plot en karakters. Vogelaar: ‘Is het misschien zo, dat literaire technieken op een dusdanige manier ontwikkeld zijn, afhankelijk van de positie van die schrijven en van hen voor wie geschreven wordt, dat ze alleen bruikbaar zijn om het doen en laten van individuele personages gestalte te geven? Is de traditionele literatuur in feite een uitdrukkingsvorm die samenvalt met de binnenkamer, het privéleven, en is ze als vormgevingstechniek niet uitsluitend gebonden aan de individualistiese ideologie die met name de middenstander siert?’
De observatie is veertig jaar oud, maar relevant blijft ze. En aanmatigend, op het randje van discriminerend tegenover hen die ‘burgerlijk’ mochten heten. Ook hier blijft mijn overtuiging dat de balans doorslaat naar Vogelaars voorspellende gave: de postideologische kunstenaar én consument als couch potatoes. Dat is lifestyle, waar boekenbijlages een fijn gevoel stimuleren bij zo’n papieren object waar mensen het gesprek van de dag over voeren. Een vorm van cocooning.
Bij zo’n praktijk horen formele restricties. Wie ervoor kiest om, zoals An Mertens, meerdere verhalen naast elkaar te vertellen, zorgt er in elk geval voor dat eenheid in de tekst blijft, met één in alle opzichten voortkabbelende stijl. Diversiteit doortrekken naar het taalgebruik is te radicaal of misschien te intellectualistisch geworden. Het zou de schijn wekken dat er verandering mogelijk is! En juist op dat punt bekritiseerde Vogelaars zijn contemporaine collega’s het zwaarst.
Bij de dominante stroming die zowel neonaturalisme als neoromantiek werd genoemd, van de hand van zogeheten Zeventigers, hielden personages zich afzijdig en pasten zich aan. Juist in die tijd gebeurde er maatschappelijk echter ontzaglijk veel, waar een subcultuur van jongeren in de regel gretig in meespeelt, als al niet het voortouw wordt genomen. Maar toen baadden auteurs in ontpolitisering. De inleving van de Zeventigers was gigantisch, omdat ze genoeg te stellen hadden met zichzelf. Ze vormden het middelpunt van hun allerindividueelste wereld.
Het irriteerde Vogelaar dat collega’s, als bloggers avant la lettre, ongelimiteerd over zichzelf praatten en meningen debiteerden. Voor hem ontstonden er dwingende verbanden: subjectief leidt tot passief leidt tot esthetisch. Even logisch was dat Vogelaar zijn pijlen richtte op schrijversportretten van de Haagse Post, waarin het boek de aanleiding vormde voor inkijkjes in artiestenlevens. Bovenal maakte zijn diagnose de weg vrij voor een vernietigend oordeel dat een paar jaar later – nog in hetzelfde decennium, toen De Jong debuteerde met wat hij achteraf ‘psychologisch’ en ‘realistisch’ proza heeft genoemd – veel meer faam verwierf, van Jeroen Brouwers. Maar op lange termijn werkte het als een boemerang.
Brouwers laakte het jongetjesproza, dat in Nescio het absolute voorbeeld vond. Ik heb eens gesuggereerd dat De Wereld Draait Door daar weer de vervulling van is. Dit tv-programma is grenzeloos populair én gewild door de instituties om er een plekje in te bemachtigen. Op een of andere, ongetwijfeld kinderachtige manier verdraag ik het niet. Wel schreef Nescio een van de mij dierbaarste teksten: het Natuurdagboek, vanuit zijn eigen ik dus. Het was vermoedelijk niet bedoeld voor publicatie en een overdreven mate van ‘leesbaarheid’ heeft het niet. Bovenal registreert het dagboek zeer precies, objectiverend, zoals een wetenschapper zou doen.
Bij Zeventigers werd proza teken van ‘spontane natuurlijkheid’ waarin de taal stilzwijgend pretendeerde het authentieke spreken perfect weer te geven. Stijl was vervangen door een toon, een handelsmerk dat, zoals Tot later, nooit kunstmatig kon worden bevonden. Eén mens sprak immers zoals jij en ik en iedereen. Een illusie, uiteraard. Bij een verpleegsterroman van Peter Andriesse redeneerde Vogelaar, voorspelbaar, dat die tekst juist tegen het volk was, leedvermaak toonde omdat het de spot dreef met de massa door middel van ironie.
Met de schijnbewegingen van hun niet-aflatende geleuter zouden auteurs zelfs de sociale ineffectiviteit van het medium rechtpraten: ‘Uit zelfverdediging, en niet in de laatste plaats ter bescherming van privileges die ze als renteniers van de sociale distantie bleven genieten, werd het maatschappelijke isolement van hun kunst tot een monologiese privé-mythe.’ Een aurakwestie gecombineerd met zelfoverschatting? Solidariteit was wel het laatste dat telde. Naar aanleiding van Mensje van Keulens verhalen in Allemaal tranen verzuchtte Vogelaar over het prototype van de jeugdherinnerende kleinburger in decennia met grote politieke spanningen: ‘Potdicht zit dit imaginair museum, hermeties gesloten zijn de prozastukjes’. Het verkleinwoord is denigrerend maar verklaarbaar.
Wat stelde Vogelaar er in de praktijk van zijn eigen fictioneel proza tegenover? De consensus luidde jarenlang: ‘onleesbaarheid’. Daarbij kreeg de auteur, om het hardst monterend opdat het uitgesloten was dat zijn navel het centrum van de wereld werd, eind jaren zeventig de angst de uiterste subjectiviteit te bereiken: ‘Ik was bang dat ik ergens zou uitkomen voorbij Hölderlin, waar de taal uit zijn voegen raakt, de cement letterlijk oplost – dat ik in de uithoeken van het bewustzijn zou belanden waar nog altijd taal zit, maar dan een uithoek van de taal waar je met gewone mensenwoorden niet komt. Ik was bang dat ik zo cryptisch en zo hermetisch zou worden dat er geen weg terug meer zou zijn.’
Hij koos voor een ander spoor, dat vanaf de jaren negentig culmineerde in Meneer-verhalen. Daar ging proza de combinatie met het essay aan via het hoofd van het type eenzame held. Vogelaars exemplaar heette Taats. Tegenover traditionele Nederlandse literatuur maakte hij het zich daarmee moeilijk. In zijn laatste bij leven verschenen boek Je zit niet alleen in je vel uit 2010 wijdt hij aan de Meneer-figuur nog veel uitleg, defensief ook: ‘Solitair is nog niet automatisch het tegendeel van solidair (…) Meneer leent zich niet zo gemakkelijk voor een roman, niet omdat de roman hem te ruim zit, dat niet, maar om dat hij graag zijn omgeving naar zijn hand zet en dat gaat nog het gemakkelijkst wanneer hij alleen is’.
De grens met het gekende romanpersonage uit de Nederlandse literatuur lijkt poreus. Ik denk dat Vogelaar in Je zit niet alleen in je vel niet voor niets ongewoon muggenzifterig bijna twintig dichtbedrukte pagina’s fulmineerde tegen Jean-Jacques Rousseau. Diens boek Bekentenissen ‘heeft een heel genre ontstopt [van de autobiografie, MK] en ook nog eens de aanzet gegeven tot een oeverloos genre dat het eeuwige leven schijnt te hebben: de bekentenisliteratuur.’
Geen literair subjectivisme in de Meneer dus? Voor deze door meesterschapslezen gevoede fascinatie reserveerde Vogelaar twee nummers van zijn tijdschrift Raster, dat als even notoir onleesbaar en sektarisch gold. Ze kenden relatief een opmerkelijk succes, herkenning vooral. In Je zit niet alleen in je vel kon Vogelaar bovendien een lange lijst van Nederlandse auteurs overleggen die, na door Raster te zijn geënthousiasmeerd, elk op eigen wijze met de Meneer-figuur vertrokken. Ik kan me dat enthousiasme indenken. Zelf heb ik driemaal geprobeerd zo’n figuur van de grond te krijgen: Kopstem, Stopnaald, Dood vogeltje. Het was erg leuk om te doen en ging eenvoudig en vlot. Verhoudingsgewijs had ik er ook het meeste bijval voor.
Postuum kreeg het werk van Vogelaar, een buitengewoon arbeidsintensief project, nogmaals een wending. Het weekblad De Groene Amsterdammer schonk terecht uitvoerig aandacht aan hem. Curieus vond ik dat alle in memoriams zeiden ‘Jacq’ niet goed te kennen, laat staan Frans Broers zoals hij bij geboorte heette. Velen herdachten ook een drama in Vogelaars leven. Daarbij viel het voorstel te noteren om een biografie over hem te maken. Ook werd bericht dat Vogelaar aan het eind van zijn leven, na een verlamming, uit alle macht heeft gewerkt aan notities die hyperpersoonlijk zouden kunnen zijn.
Het netto resultaat: verschuiving naar het domein van ‘Frans’, dat de auteur altijd afgeschermd had, mede wegens misbruik in de traditie sinds Rousseau. Daarbij is het niet gemakkelijk om de Meneer-verhalen te vrijwaren van oer-Hollandse subjectiviteit. Ze bieden vooral een accommodatie voor veelsoortige vrijetijdsbestedingen, van ontspannen tot denken, waarbij autobiografisch kaf en koren kan uitgestort. Op dat laatste is sinds de eeuwwisseling, die in de Lage Landen ongeveer samenviel met een algemeen gebruik van internet, het accent gekomen. In 1998 begon Kristien Hemmerechts haar in memoriamboek Taal zonder mij nog met het besef dat zelfs ‘de permanente uitlaat’ van haar tweewekelijkse krantencolumn (het cursiefje waarop het proza der Zeventigers berust) haar deed terugdeinzen voor ‘meningen over dit en dat’ zodra deze haar gestorven echtgenoot betroffen. Het boek schrijft zich dan los van de schaamte en eindigt in een monoloog tegen de gestorvene, waarin Hemmerechts hem vraagt of het niet erg is dat ze, na kartonnen dozen uit zijn archief te hebben geopend, uit documenten van en aan zijn moeder geciteerd heeft. Vele bloggers die spoedig daarna de schrijfwereld zouden versterken, maakten die vraag niet alleen retorisch maar vooral overbodig. Bekentenissen fungeren in een tautologisch universum, waarin alleen ware bekentenissen gewenst zijn, bekrachtigd door diepte-interviews.
Ook zijn Meneer-verhalen lastig te scheiden van laaglandse concepten als ‘de verbeelding’ en ‘de verwondering’. Bij Vogelaars leven heeft het eerste een ontwikkeling doorgemaakt van een politieke (Provo) over een literaire (De Revisor) tot een lifestylische. Nu geurt eigenlijk elk individu en bedrijf dat zich wil profileren met ‘de verbeelding’ die het van nature eigen zou zijn. De term is een synoniem geworden van ‘creativiteit’, dat ook niets meer betekende totdat An Mertens er in haar roman concrete inhouden aan verleende. Het concept van ‘de verwondering’ is zelfs pastoraal geraakt. Bij Vogelaar had het een intellectuele grondlaag gekregen die, met Taats (teste, proef, hoofd), een alternatief voor een geloof mag heten. Nu staat verwonderd-zijn voor een houding met quasi-naïeve trekjes waarmee alles in de wereld kan glanzen. Ze zijn rousseauaans op te vatten, anti-intellectualistisch ook – en kregen na Raster in heel wat Meneer- en Mevrouwrelazen beslag. Hun flitsen van inzicht zijn rendabel in de zin dat ze tegemoetkomen aan de chronisch overprikkelde consument. Daarbij mag taal niet leerstellig storen. Ze zou beter masseren, zoals Mortier dat doet.
Doordat verwondering in het teken is komen te staan van telkens nagelnieuwe ontdekkingen, ongearticuleerde ideeën bijstellend die dan vooroordelen heten, kreeg het concept een zware praxis te verduren. Het meest zichtbaar is dat in een managementfilosofie, waar stilstand achteruitgang is en de term ‘dynamisch’ werelden opent die zowel een ‘statische’ als een ‘dogmatische’ sterveling boven de pet gaan. Maar verwondering is eveneens, subtieler, doorgedrongen in het politieke denken, juist bij kunst. De implicaties waren op te lepelen uit een interview dat Wim Kayzer onlangs gaf:
‘Mensen die zich tevreden stellen met antwoorden worden gevaarlijk. Mensen die stoppen met zich vragen te stellen voeren oorlog. Dat is, simpel samengevat, het gevaar van het populisme dat nu in Europa weer aan kracht lijkt te winnen. Mensen die van mening veranderen, zijn de enige die ik vertrouw! Het betekent dat ze zichzelf blijven bevragen, dat ze blijven umdenken.’
Hier past een pertinent oordeel bij over anderen die laf zijn, want gewoontes ontwikkelen en die ‘worden dan hun antwoorden. Hun waarheid. De gewoontes geven hen het gevoel dat hun leven over iets gaat. No further questions.Mensen zijn over het algemeen niet zo gek op vrijheid hoor.’ Zo komt het ‘burgerlijke’ uit Vogelaars tijd opnieuw overzichtelijk in contrast te staan, waarbij Kayzer letterlijk ‘verbeelding’ noemt als manier om zich dapper te houden. Mertens gaat daarentegen voorop in haar suggestie: doe iets!
De competentie om te kunnen blijven veranderen hoort bij de dynamiek die een neoliberale wereld van burgers eist. Concepten als ‘verwondering’ en ‘verbeelding’ zijn daar het voertuig voor, maar ze berusten op assimilatie, opgaan in een geheel. Zo krijgt het vreemde, andere een gezicht in vluchtelingen en expats die, minimaal voorzien van één taal, een onbekend land binnentreden.
Tot later geeft weer wat er gebeurt met zo’n mens én zijn taal én de talen die plots rond hem heen zoemen. Ook die groei van ondervinding is een verdienste van Mertens’ boek. De gelijkenis dringt zich op met een buitenlandse roman, Open City van Teju Cole. Daar zit minder plot in, en verloopt elk van de even disparate als ruimhartige waarnemingen via de ik-figuur, een inwijkeling. Er staat nooit ‘De deur was dicht’ maar ‘Ik zag dat de deur dicht was’. Bij Mertens toont de stad zich door meer ogen, van meneren en van mevrouwen. Zoals in het nieuwe project van Cole, die evenveel vernieuwingsdrang in zich draagt. Althans, zo willen de berichten. Hopelijk voldoen deze aan een minimale democratische conditie: ‘Rarely equal and distinct in all things’ (Finnegans Wake, voetnoot).