POLEMIEK: Een kleine oorlog voor het grote schrijven (1)

Gierik & NVT start een polemiek over wat literatuur vermag, moet en kan zijn. Redacteur Peter De Voecht bijt de spits af. Hij doet dit op persoonlijke titel.

Een kleine oorlog voor het grote schrijven
door Peter De Voecht

Faalangst, verdomme. Dit is al de vijfde versie van dezelfde tekst. Nee, zelfs niet dezelfde tekst: het is al de vijfde keer dat ik opnieuw begin te schrijven, telkens weer van nul. De bedoeling? Mijn visie over literatuur weergeven, literatuur als kunstvorm, en dat in een polemiek. Reacties losweken, discussie doen ontstaan. Maar.

Ik ben niet polemisch van aard, en aangezien mijn schrijven het gevolg is van wie ik ben, is een polemiek van mijn hand niet meteen een kopstoot in de maag. Eerder dan met de vuist op tafel mijn mening te verkondigen doe ik pogingen om vergeten aspecten te belichten, en denk ik vaak dat de waarheid in het midden ligt. Het probleem hierbij: omdat ik alles tracht te relativeren, zwak ik ook mijn eigen argumenten af. Verre van ideaal voor een tekst als deze, waarin op het scherpst van de snede stellingen geponeerd moeten worden, die als vlugzout onder de neus een andere schrijver moeten doen opspringen en laten reageren.

Daarenboven vind ik mijn ideeën afwisselend te naïef, te beperkt, te cliché, te onnozel. Oprechtheid in ons schrijven, dat moet één van mijn belangrijkste punten worden. Ik schreef erover in versie drie, een tekst die schamper en cynisch om mezelf heen danste, omdat ik dacht dat het mijn woorden kracht zou bijzetten. Oprecht? Natuurlijk niet. Dat ik onze schrijvers een zekere angst wil verwijten, en tegelijk bang ben om deze tekst gewoon in mijn eigen, weinig polemiserende stem te schrijven, helpt ook niet.

De vinger leggen op het waarom van mijn moeizame relatie met de Nederlandstalige literatuur is bijzonder moeilijk. Echter, het niet proberen is geen strijd leveren. Al is het dan een strijd tegen mijn eigen polemische onkunde. U zegt dat de oorlog de vader is van alle dingen? Wel, laat ik dan mijn faalangst overwinnen, en schrijven zoals ik vanuit mezelf gedwongen word te schrijven. Wellicht onvoldoende geïnformeerd. En zonder bepaalde boeken of schrijvers met de vinger te wijzen, want dat ligt niet in mijn aard. Een brave polemiek dan. Maar wel een oprechte. Ach, vergeeft u het me. Of niet. En dan hoor ik het graag.

In 2007 begon ik te schrijven aan mijn debuutroman, Slachtvlinders. Het is nu 2014, en ik zit al aan versie zeven. Mijn eerste versies waren nogal braaf, schopten op gebied van taal veel minder keet dan waar de inhoud om vroeg. Dus paste ik de stijl van één van de personages aan tot er een zekere stilistische marginaliteit overbleef, en dat resulteerde in versie drie, de meest bijzondere van de zeven. Die keuze maakte ik toen omdat ze naar mijn gevoel functioneel was: het paste bij dat personage, en gaf de dystopische straten waarlangs hij zwierf via linguïstische middelen weer. Ondertussen heb ik dat extreme van de vorm wat bijgestuurd om de inhoud beter in de verf te kunnen zetten, maar ben ik bijzonder gelukkig dat er zo’n versie van de roman bestaat, en wel om een belangrijke reden.

Er bestaat een groot verschil tussen een afbeelding maken van iets (bijvoorbeeld een slagveld), en gebruik maken van metonymische elementen om het medium van het afbeelden zelf een rol te laten spelen (bijvoorbeeld zand, modder en letterlijk bloed, zweet, en tranen gebruiken om hetzelfde slagveld voor te stellen). Voor beide methodes valt iets te zeggen, en idealiter bestaan ze naast elkaar. Het wordt echter problematisch wanneer één methode de bovenhand krijgt. In het bijzonder heb ik het dan over de Nederlandstalige literatuur, waar het telling de scepter zwaait, en al te vaak verkozen wordt boven het blijkbaar stiefmoederlijk behandelde showing.

Een voorbeeld uit de schilderkunst. De schilderijen van Sam Dillemans zijn regelmatig op het eerste zicht eerder wazig of geabstraheerd. Tegelijk doen ze bewegen, hebben ze een zekere vastgelegde emotie en diepte, die toch sereen blijft. Bestudeer het werk echter van wat dichterbij, en het wordt, bovenop de eerste ervaringen, een loopgravenoorlog van textuur en vorm, ruwe klodden verf, scherp, verwoed gekras, en stukken onbeschilderd canvas. Bij Dillemans maakt het medium op die manier deel uit van de totaliteit van het kunstwerk; de tastbare ruimtelijkheid bepaalt zo de volledige aard van het schilderij. Hetzelfde principe geldt bij wat Nobelprijswinnares Toni Morrison ooit zei over haar roman Jazz uit 1992: “I wanted the language to be what the question is.”

Deze gedachte vinden we ook terug in de roman Trainspotting van Irvine Welsh: Welsh schreef het boek integraal in Engels-met-Schots-accent, wat het lezen zeker bemoeilijkt, maar wat er wel voor zorgt dat Schotland, en Welsh z’n personages, in het werk beginnen te bestaan, in plaats van dat ze louter beschreven worden. Ook het Nadsat, de tienertaal die Anthony Burgess vorm geeft in A Clockwork Orange, is hiervan een voorbeeld.

Dit synthetiseren van vorm, thema, en verhaal, geldt volgens mij als het compleet maken van een kunstwerk; nu blijven schrijvers echter voornamelijk binnen het verhaal. Verhalen vertellen kunnen we in de Nederlandstalige letterkunde, zoveel is duidelijk. Het doortrekken van een gethematiseerde vorm wordt echter jammer genoeg vaak achterwege gelaten. Eigen werelden of een bijzondere idiosyncrasie scheppen, het blijft iets wat schrijvers opofferen ten bate van, ik zeg maar wat, het zoveelste boerendorp, of de zoveelste kleine grootstad van de Lage Landen. Op die manier blijft het nieuwe van de fictie ver weg, en wordt het ver zoeken naar een schrijftaal die je van je sokken blaast met haar drang naar durf en vernieuwing. Integendeel, boeken worden geweigerd door uitgevers omdat ze te ‘persoonlijk’ zijn op vlak van stijl. Zou dat net niet moeten zijn waar we naar op zoek zijn?

Er bestaat een vrees dat zoiets door het publiek niet in dank afgenomen zou kunnen worden. Ik vind: als schrijver heb je vooral de verantwoordelijkheid te schrijven wat oprecht in je leeft. Echte literatuur komt voor uit honger, een pure noodzaak die diep in de schrijver zit, net zoals het geval is bij alle kunst. Er bestaat geen echte kunst die niet oprecht is.

Het probleem beperkt zich niet tot de stijl. Op het vlak van de inhoud lijkt er vooral een gebrek aan extrapolatie te bestaan. In de hedendaagse Nederlandstalige literatuur gaat het vaak niet over iets meer dan enkel datgene waar het verhaal rond draait, of waar de personages hun hoofd over breken. Een roman met euthanasie als centraal thema gaat dan altijd over, ja, euthanasie als centraal thema. Het is nooit eens, ik zeg maar wat, tegelijk ook het zelfgekozen, te vroege einde van een introspectief boek in gedachten geschreven door het slechts half bestaande hoofdpersonage. Het mag ook in dat opzicht meer zijn dan enkel een goed verhaal. A mag B betekenen, en tegelijk ook nog C.

Onze romans reiken niet ver genoeg, durven niet ver genoeg te reiken. Het is allemaal bijna even braaf als een polemiek van Peter De Voecht. Ook de Nederlanders blijken hierin zo Vlaams te zijn, oftewel: vervelend bescheiden. Symboliek, existentialisme, abstracta; het zijn verba non grata geworden. De reden dat onze literatuur zo zelden buiten de taalgrenzen succes heeft heeft volgens mij veel te maken met de stilistische braafheid aan de ene kant, en het gebrek aan grensoverschrijdend, breed conceptueel denken aan de andere kant.

Natuurlijk, dit alles stoelt op één onontbeerlijke drijfveer, namelijk ambitie. Ik vraag me af of er nog wel voldoende ambitie bestaat bij onze schrijvers, waardoor ze verder durven reiken dan het schrijven van een ‘degelijk’ boek. We mogen in die zin best strenger voor onszelf zijn: het mag ergens over gaan, iets dat het narratieve overstijgt, en een roman mag een vorm incorporeren die zelf deel van de waarde van het werk is. Dan heb ik het niet over mooischrijverij, wél over oprechtschrijverij.

Wanneer een auteur een stijl hanteert die nog maar het minste beetje afwijkt van de gewone standaardtaal – een snuifje lyriek, een semifilosofisch mijmerinkje – dan wordt hij of zij al gelauwerd door critici en vlamt het boek meteen het canon in als zijnde ‘Literatuur’. Is dat geen teken aan de wand? Wil dat niet zeggen dat schrijvers dan net veel te weinig met stijl doen, als het zo snel opvalt? Vormvernieuwend of conceptueel schrijven wordt vermeden. Niet uit bescheidenheid, maar uit angst.

Toegegeven, vele werken die nu verschijnen overstijgen zeker de kwalitatieve middenmoot en zijn op zich goede boeken. Ze zijn helder en degelijk geschreven. Verhalen worden op een leesbare, begrijpelijke wijze geserveerd. Op deze wijze wordt er wél een andere soort middenmoot gecreëerd, namelijk de literatuur die ‘werkt’, maar onvoldoende onderscheidend is omdat ze tekortschiet inzake durf. Ik zou zelfs beweren dat er een burgerlijkheid van de Nederlandstalige letterkunde gecreëerd is. Hebben kunstenaars zich niet altijd willen afzetten tegen alles wat nog maar in het minst naar het woord bourgeoisie ruikt? Waar zit het ontvluchten van de middenmoot, in de zin van het durven bewandelen van de thematische of stilistische periferie waar die voor het werk noodzakelijk is? Nu krijgen we vooral te maken met wat Boon “die netjes in kisten opgeborgen lijken van romans” bestempelde, wat het verlangen naar boeken als “een wild en onbevaarbaar water” (Boon over de werken van Henry Miller) bij mij enkel vergroot.

Een goeie dosis chaos kan alles zijn wat nodig is om te vermijden dat literatuur stagneert. Schrijvers houden elkaar braaf, door braaf te blijven schrijven, en de revolte blijft uit door angst om niet te verkopen. En zo blijft ook het lezerspubliek braaf.

Laat ik het anders uitdrukken. Er speelt veel te veel Bach of Mozart door onze teksten, en veel te weinig Stravinsky, Ligeti, Aphex Twin, Autechre, of Bitches Brew van Miles Davis. Daarmee wil ik niets zeggen over de twee eerstgenoemde componisten, wel dat de balans veel te weinig overslaat naar de laatsten. Literatuur is een platform dat blijkbaar moeilijk is om te doen wankelen en er dan op te gaan staan. “Idolatrie is onwil om op de uitdaging van het mysterie in te gaan,” schreef Frans Kellendonk in 1986. Misschien is het niet enkel onwil dat ons valse idolen laat aanbidden, idolen die zich beperken door nimmer het wankelen teweeg te willen brengen. Misschien is het niet enkel onwil, maar vooral angst.

Waar is onze literaire moed om onze stilistische en thematische kans op falen te durven vieren? Autobiografisch blootgeven, dat is duidelijk geen probleem. Maar de schrijver die zich blootgeeft door zijn of haar kunstwerk afwijkend te laten worden wanneer de tekst er inhoudelijk of vormelijk om vraagt, ja, dat is een oprechtheid die grandes cajones vergt. De immanente drang naar afwijking en stilistische zelfontplooiing die in vele werken vervat zit, ook dat is een honger, en die honger mag gestild worden. (Als die honger echter niet bestaat is het nog erger gesteld dan ik eerst dacht.) Al wat waardevol is, is kwetsbaar. Dit geldt wellicht ook omgekeerd: al wat kwetsbaar is, is waardevol. Een afwijkende vorm, of een neigen naar grootsheid, alomvattendheid: dat zijn pas manieren om jezelf als schrijver bloot te geven. Dat moeten we. Bloot durven zijn, en beginnen met schrijven.

Vlak voor zijn zelfmoord in 1980 schreef Ian Curtis het nummer In a Lonely Place, het laatste werk dat van Joy Division bewaard is gebleven. Het is onaf: de kwaliteit is ondermaats, de opname is slecht, het nummer is onvolledig, zit vol ruis. Het is ook fantastisch. De sfeer zit waar hij moet zijn, de tekst is subliem, het is duister, onzuiver, pakkend. Maar bovenal: het is eerlijk, puur. Het is nu al niets anders dan wat het moest zijn.

De Nederlandstalige literatuur staat wat mij betreft vaak mijlenver af van een ingetogen halfnummer als In a Lonely Place. Authenticiteit leidt altijd naar iets waardevols. Liever lees ik dan ook een tekst vol tekortkomingen waar de schrijver hart en ziel in heeft gegoten, dan iets strak, afgelijnd, en puntgaaf, en dus levenloos en geforceerd, met de bedoeling te behagen of ‘interessant’ te zijn om redenen die eigenlijk buiten de auteur zelf liggen – of dat nu winstbejag of het creëren van een schrijverspersona is (dit laatste wordt overigens vaak beoefend door jonge en wellicht ook onzekere schrijvers, en gaat van de dandy tot de rock-‘n-roll-auteur). In de verf zetten is nog niet kunnen schilderen.

Het lijkt alsof we de honger nu negeren, en vaak niet zozeer kijken naar wat in onszelf heerst, maar naar wat de norm is, naar wat ‘mag’, zonder dat we verder durven kijken. Literatuur moet niet volgen wat mag; het moet bepalen wat mag. We moeten onszelf weer als kunstenaars durven beschouwen, en vooral, daarnaar handelen, met alle daarbij horende verantwoordelijkheid. Verhalenvertellers hebben we al genoeg. We moeten in de zon durven kijken, als dat is wat wij als schrijvers nodig hebben om werkelijk en authentiek te bestaan, en te schrijven, en verrijkende, ver reikende literatuur schrijven. Schrijven wat geschreven moet worden is wat telt. Honger leidt, dwingt, geeft richting. Voor vruchtbare literatuur heb je eerst een puberteit nodig, wel, laat die maar komen. Als de hormonen aansporen tot bewegen, mag er gevolgd worden. En als er niets beweegt, vraag je dan af waarom. Maar sta het toe.